In 1904 kreeg Grönloh een goede baan bij de "Holland Bombay Trading Company", een firma die manufacturen naar Indië exporteerde en waar hij carričre wist te maken.
Bovendien had hij nu ook meer tijd voor zijn verloofde, Aagje, met wie hij in 1906 in het huwelijk trad. Niet veel later werd de eerste van vier dochters geboren.

In 1911 debuteerde hij met "De Uitvreter" in het januari-nummer van "De Gids", en in 1915 verscheen "Titaantjes", ditmaal in "Groot-Nederland". Deze twee verhalen werden in 1918 gebundeld, samen met een derde novelle, "Dichtertje".

Intussen maakte Grönloh gestadig carričre op kantoor. In 1926 werd hij codirecteur van zijn firma.
Alhoewel dit in de moeilijke jaren van economische crisis viel en hij bovendien voortdurend geplaagd werd door nervositeit en chronische hoofdpijn, hield hij het toch nog vol tot 1937. Toen trad hij af als directeur maar hij zou nog tot aan zijn pensioen in 1948 als adviseur aan het bedrijf verbonden blijven.

Nescio was duidelijk niet het type van de zakenman en de uren die hij op kantoor doorbracht waren bepaald niet de gelukkigste van zijn leven, iets waarvan zijn ondergeschikten de kwalijke gevolgen aan de lijve ondervonden: hij was een ongemakkelijke en strenge chef.

De reden waarom hij dan toch bleef doorwerken vinden we in de "Inleiding" op "Boven het dal en andere verhalen". Daar beschrijft Nescio zichzelf in 1942, na zijn aftreden dus, als "iemand die, helaas, zijn plicht heeft willen doen tot de dood er op volgde. Dat is nu gelukkig voorbij en wij spreken elkaar misschien nog wel eens." [1]

Na zijn aftreden verhuisde hij naar een rustiger stadsgedeelte, van waaruit hij dagelijks en meestal alleen de natuur in trok.
Deze twee woorden, "alleen" en "natuur", zijn kernwoorden voor het begrijpen van Nescio.
Eigenlijk trok hij zich al heel vroeg in zijn leven terug op zijn "Insula Dei", zijn godseiland, alleen met zichzelf en de natuur, waarin hij God aanwezig zag.
Vanzelfsprekend maakte dit er het leven voor zijn vrouw niet gemakkelijker op.

Zo schrijft W. Zimmerman, een goede vriend van Nescio :

"Ik vraag mij af, of Nescio ooit ten volle heeft beseft de steun en toewijding van Agaat Tiket, zijn vrouw, die in een langdurig huwelijk hem, de rusteloze zwerver, in zijn aangeboren drang vrij liet begaan en daarvoor zichzelf bescheiden op het tweede plan terugtrok. Nescio aanvaardde zulk een toewijding als iets vanzelfsprekends. Op vrije dagen en zondagen trok hij er alleen op uit, uit behoefte aan eenzaamheid." [2]

Die "verslaving" aan natuurwandelingen was er met klimmen van de jaren niet minder op geworden. Eigenlijk beleefde Grönloh in die jaren zijn tweede jeugd, want ook zijn andere passie, het lezen, ging weer een groot deel van zijn vrije tijd opvullen.

Die vreugde over zijn herwonnen vrijheid vinden we vooral terug in het verhaal "Insula Dei" uit 1942 : "Ik ben vrij, na veertig jaar ben ik vrij en mijn haar kan ik laten knippen wanneer ik daar zin in heb en verder kan ik het laten groeien." [3]

Inderdaad was Nescio opnieuw beginnen te schrijven, iets wat hij sinds 1922 niet meer gedaan had.
In 1940 voltooide hij de in 1922 begonnen schets "Najaar" en in 1942 schrijft hij dus "Insula Dei", één van zijn beste verhalen.
In datzelfde oorlogsjaar had hij het persklare manuscript van "Boven het dal" aan zijn jongste dochter gegeven om het voor hem te bewaren. De bundel werd pas in 1961, vlak voor zijn dood, samen met een aantal "andere verhalen" gepubliceerd.
Daarvóór, in 1946, was nog de bundel "Mene Tekel''.

In 1956 werd Frits Grönloh zwaar ziek, en na vijf jaren van pijnlijke aftakeling bezweek hij tenslotte op 25 juli 1961 aan een longontsteking in een sanatorium in Hilversum.

[1] "Boven het dal en andere verhalen", p.14.

[2] ZIMMERMAN, W., Herinnering aan Nescio. Amsterdammer en natuurliefhebber, In : Nieuwe Rotterdamsche Courant, 22-8-1961.

[3] "Boven het dal en andere verhalen", p.77.