In juni, vlak na zijn eindexamen op de handelsschool, richtte Frits samen met enkele medeleerlingen een debatingclub op, de G.O.H.V. ("Gedachtenwisseling Ontwikkelt Het Verstand").
De oprichters namen hun initiatief ernstig op : er waren een voorzitter, een lste en 2de secretaris/penningmeester, een notulenboek, statuten, gewone, buitengewone en huishoudelijke vergaderingen, kascontroles, alles zoals heet hoort.

De debaters kwamen tweemaal per maand samen en Frits Grönloh zou op de eerste vergadering de debatavonden inwijden met een voordracht over "De sociale kwestie".

In Nescio's literaire nalatenschap werden dan ook een aantal losse schoolschriftblaadjes aangetroffen met de aanhef "Waarde hoorders" en de slotformule "Ik heb gezegd". Het bleken lezingen te zijn voor de G.O.H.V.-avonden.

In deze schrijfsels is nog niet de schrijver Nescio aan het woord, maar de 17-18 jarige Frits Grönloh, die dan zelf nog één van die "aardige jongens" is, waarover Nescio met zo'n nostalgische vertedering zal schrijven.

Deze blaadjes zijn dan ook erg belangrijk om de geestelijke en stilistische evolutie van Nescio's schrijverschap te reconstrueren, want dit zijn de enige geschriften die bewaard zijn gebleven uit de tijd dat Nescio nog allerminst weemoedig was.

Al op zijn 20ste schrijft Nescio het verhaal met de veelzeggende titel "Heimwee", waarin hij reeds terugziet op een tijd die voor hem definitief voorbij is. Alle verdere verhalen zijn in die trant geschreven : als een terugblik, een herinnering.

Dat geldt nog niet voor de declamatorische hoogstandjes uit Grönlohs G.O.H.V.-tijd. De 17-jarige Frits staat dan pas op de drempel van de volwassenenwereld, maar hij dwingt zichzelf al onmiddellijk zich rekenschap te geven van alles wat hij ziet, van waar en onwaar, mooi en lelijk, goed en kwaad. Grönloh doet dit schrijvenderwijs en vormt zich op die manier een steeds persoonlijker stijl.

Zo gezien zijn deze blaadjes dan ook niet alleen van betekenis voor de ontwikkeling van de persoon Frits Grönloh, maar ook en vooral van de schrijver Nescio.

Frits maakt in dat jaar een evolutie door van een anarchistische naar een gematigd socialistische gezindheid, een ontwikkeling die typerend is voor veel jongeren uit die tijd, en waarbij vooral het gedachtegoed van Multatuli en Van Eeden een grote rol zullen spelen. 
Op die invloeden zal ik overigens nog uitvoeriger terugkomen.

Het lidmaatschap van G.O.H.V. stimuleert Grönloh een jaar lang om zijn gedachten op papier te zetten en erover te debatteren, en het doet zijn zelfvertrouwen goed, want hij heeft succes met zijn lezingen.

In maart 1901 echter zegt hij de debatingclub vaarwel. Het malende denken over het lot van de wereld en zijn eigen kleine lot heeft hem aan de rand gebracht van een "zenuwoverspanning", zoals dat zo mooi genoemd werd in die tijd.

Daarbij kwam nog zijn wanhopige liefde voor de reeds genoemde Aagje Tiket die voorlopig niet van hem wilde weten ("Hij was zo heel anders dan die andere jongens", herinnert Nescio's weduwe zich in 1964 [1] ) en Grönloh zelf twijfelt nog of zij wel de ware is, of hij in haar de "werkelijke, lichtende, scheppende, heerlijke Adinda, de nog niet gevondene" [2] kan zien. Zes maanden later wordt zij zijn vaste vriendin.

Intussen onderhield Frits nog nauwe contacten met zijn vrienden van de zangvereniging, met wie hij uitgebreide tochten door het Hollandse landschap maakte en filosofeerde over de zin van het bestaan en de on-zin van "de gewichtige heeren" van kantoor, "die het te druk hebben en die denken dat zij 't aardig ver in de wereld hebben gebracht" en die "ons bevalen dingen te doen waarvan wij 't nut niet begrepen" en "ons uit de zon en van de weilanden en den waterkant vandaan hielden." [3]

Frits Grönloh raakte in die jaren in de ban van de revolutionaire tijdsgeest die zo kenmerkend was voor de eeuwwisseling.
Hij en zijn vrienden vonden een onderkomen bij de "wereldhervormrs" van de "Horseshoe", een Amsterdams praatcafé waar de maatschappij tot in haar kleinste geledingen onder een kritische loep genomen werd. Voorstellen voor revolutionaire hervormingen waren dan ook legio.

Bovendien kwamen de wereldhervormers in spe, na kantoortijd, vele avonden samen op de zolder van Rombout, samenkomsten waarover in "Titaantjes" uitvoerig verteld wordt : 'Maar zaten we dan en lieten niets heel" [4] , zegt Nescio, en samen met zijn vrienden-titaantjes werd hij geobsedeerd door de vraag hoe ze "eruit" konden geraken, hoe ze die maatschappij konden veranderen.

Hieruit groeide geleidelijk de behoefte aan een neer theoretische fundering en een concreet actieprogramma om van daaruit hun denken om te zetten in daden. En alternatieven waren er bij de vleet.
Rond de eeuwwisseling vinden we in Nederland (en ook in de rest van Europa) immers de meest uiteenlopende richtingen en stromingen van potentiële wereldhervormers terug.
Aan de ene kant had je de radicale marxisten, socialisten en anarchisten, die dogmatisch en fanatiek te werk gingen.
Aan de andere kant bevonden zich de meer gematigde utopisten, christen-anarchisten, pacifisten, tolstoianen, enz., die meer geleidelijke hervormingen, zonder gebruik van geweld, bepleitten.
Daarnaast had je dan nog theosofen, spiritisten, naturisten, rein-levenmensen, vegetaristen, e.d.

Al deze strekkingen of overtuigingen ontstonden voornamelijk als reactie op de toenemende industrialisatie en de hiermee samenhangende slechte werkomstandigheden, de hoge werkloosheid, het drankmisbruik, de bedroevende huisvesting, kortom een deprimerend en gedegenereerd stadsleven dat een terug-naar-de-natuurbeweging ontketende.

Jammer genoeg waren het enkel de gegoeden die zich een dergelijke "vlucht" naar het platteland konden permitteren.

Een goed voorbeeld daarvan is Van Eedens experiment in praktisch socialisme, de kolonie Walden, waar een gemeenschap van (gegoede) mannen en vrouwen in hun eigen onderhoud trachtten te voorzien.

Toch was dit experiment in de grond proletarisch gericht. Van Eeden ergerde zich over de ongelijke verdeling van het kapitaal en zijn oplossing voor dit probleem zat vervat in de volgende slagzin : "Werkers, werkt voor elkander".

Een dergelijk gematigd socialisme kan Grönloh en zijn vrienden wel bekoren, temeer daar ze toch al niet erg hoog opliepen met dogmatische doctrines waarvan de vertegenwoordigers de mond vol hadden van "klassenstrijd", "proletarisch sentiment" en "burgerlijke ideologieën" en die hun onomstootbaar gelijk met grote zekerheid en op fanatieke wijze uitdroegen.

Frits en zijn vrienden waren immers niet zo zeker van hun gelijk (" 'k Zal toch eens informeeren of 't mag, dat twijfelen" [5]) en opteerden dan ook voor de meer nuchtere en gematigde principes van Van Eeden, wiens invloed op de toenmalige jeugd niet te onderschatten is.
Zijn aantrekkingskracht was des te sterker voor Grönloh en co wegens zijn 'Werkers, t.o.v. "de heeren", de aartsvijanden van de titaantjes.

Reeds in 1900 had Frits getracht opgenomen te worden in Walden, maar Van Eeden plaatste hem op de wachtlijst en liet hem weinig hoop : hij had op dat ogenblik meer behoefte aan arbeiders met enig verstand van tuinieren en andere agrarische vaardigheden, dan aan idealistische kantoorbedienden.

Eén jaar later echter richtte Van Eeden, nadat zijn experiment mislukt was, de G.G.B. op, wat de afkorting is van "Gemeenschappelijk Grondbezit".
Deze vereniging stelde zich als doel "zooveel grond als mogelijk aan woeker en winzucht te onttrekken en te doen dienen om hen te voeden die er op wonen en werken." [6]

Frits Grönloh behoorde zes jaar lang tot de kleine kring van actieve leden, waaronder, naast Van Eeden zelf, ook nog Rombout en De Wilde, Grönlohs trouwe vrienden.

In 1904 werd bij zelfs verkozen voor het hoofdbestuur, maar Frits bedankte voor de eer. Zijn idealisme en politiek engagement uit de beginjaren hadden toen al plaatsgemaakt voor ontnuchtering en ironische distantie, samen de levenshouding die van dan af zijn hele wezen, en ook zijn hele oeuvre, zal typeren.

In 1906 werd hij nog wel, na lang aandringen van de bestuursleden, administrateur en daarna zelfs penningmeester van "De Pionier", het verenigingsblad van de G.G.B., maar het was al lang duidelijk dat Frits Grönloh te zeer ontnuchterd was en te eenzelvig was geworden om een lang verenigingsleven beschoren te zijn.

Hij liep dan ook niet hoog op met zijn benoeming : "Ik ben administrateur van "De Pionier". Als ik m'n handen voor m'n ogen houd zie ik dat duidelijk in." [7]
Twee maanden reeds na zijn benoeming moest iemand anders inspringen, omdat "Grönloh geen tijd heeft dit kwartaal de kwitanties te schrijven." [8]

Enkele dagen nadien stuurde hij een min of weer apologetische, maar zeer sarcastische brief ter publicatie aan "De Pionier". Hieruit spreekt reeds duidelijk het ontluikende schrijverschap van Nescio, zowel qua besef van zijn roeping, als qua ontwikkeling van zijn stijl. Vandaar ook dat ik tamelijk veel uit deze brief zal citeren.

Grönloh vertelt hoe hij zich wanhopig aan het corrigeren zette om het niveau van de ingezonden stukken wat op peil te brengen : "Er kwam geen eind aan. Met een half rood potlood kwam ik niet uit. Ik ben onhandig in het puntslijpen, ik versnijd mijn potloden." [7]
Toch twijfelt hij of zijn nogal laatdunkend oordeel wel gerechtvaardigd is: "Je begrijpt de mensen niet. Die Pionier is wel goed. Je bent wat bekrompen van verstand." [7]

Frits Grönloh kan niet ontsnappen aan de aliënatie, het anderszijn, iets wat hem zijn leven lang zal achtervolgen, en hij zit er duidelijk nee in de maag "Laat "De Pionier" "De Pionier". Die goeie mensen meenen 't goed, blijf met je handen uit dat blad. Je bent een halve artiest." [7]

Uit deze passage blijkt reeds duidelijk de ontnuchtering en een zeker besef van "roeping".

Zijn artistieke bekommernis dwingt hem er echter toe "ondanks alles (te) protesteren tegen de heele laatste Pionier. Ik moet 't wel, m'n naam staat boven de heele boel. Ik wil nergens voor doorgaan maar ook niet voor iemand die deze godsjammerlijke bocht met z'n onbenulligen naam sanctioneert." [7] en even verder in zijn brief:

"Laten we nu onze eischen niet hoog stellen. Laten we leesbare stukjes verlangen. Laten we zeggen dat een stukje zoo moet zijn, dat je aan 't eind nog weet waar 't over was. Laten we zeggen dat het verboden is, allerlei zondagsche woorden door mekaar te haspelen en af en toe "enz." te schrijven. Die "enz." schrijft weet niet meer waar hij heen wou of hoe hij er uit moet komen. Laten we zeggen, dat m'n neef, die een abonnement heeft van Amsterdam naar Bussum niet in extase mag raken over de Middellandsche Zee, die hij nooit gezien heeft. Dat hij niet mag mopperen over de verrotte kapitalistische Maatschappij, als hij z'n maagkwaal bedoelt." [7]

Nescio had de kenmerken van zijn eigen schriftuur niet beter kunnen weergeven.
Niet alleen achter zijn kritiek, maar ook achter zijn manier van schrijven schuilt reeds té zeer de "halve artiest", die Frits Grönloh belet om nog langer mee te doen aan dergelijke hoogdravende essayistiek van bedenkelijke kwaliteit.

Hij is bovendien te zeer ontnuchterd, te zeer realist geworden om nog langer deel uit te maken van een dergelijke serieuze vereniging, bezield door "het grote ideaal".

De ontnuchtering moet ongeveer gekomen zijn na de mislukking van de kolonie ''Tames'', een initiatief waarbij Grönloh zeer nauw betrokken was.
Geďnspireerd door Van Eedens voorbeeld hadden de vrienden uit de "Horseshoe" namelijk in december van het jaar 1901 een stuk bouwgrond gekocht in de gemeente Huizen, waar ze een kolonie ŕ la Walden wilden uitbouwen. (In het verhaal "Heimwee" heeft Nescio het in verband hiermee over de "Kropotkinhoeve")

Frits' bijdrage bedroeg 200 gulden voor de bemesting van de grond. De rest was geleend geld.

Ondanks alle goede bedoelingen werd het experiment een fiasco. De schulden groeiden alsmaar aan, en in 1904 werd de grond weggegeven.

Overigens verbleef Frits er enkel in de weekends, aangezien hij in 1901 Amsterdam verliet en achtereenvolgens in Oldenzaal en Rheine (Duitsland) op kantoor ging.

Voor Nescio's oeuvre is de periode 1899-1904 ongetwijfeld de belangrijkste uit zijn leven.
In al zijn verhalen wordt er geput uit deze "wonderlijke tijd", zoals hij het zelf noemt. (Titaantjes , p. 48).
Alleen dat in die verhalen het naďeve idealisme van zijn jeugdjaren allang verdwenen is.
Dat blijkt wel uit "Titaantjes", waar definitief en met een haast gekwelde ironie wordt afgerekend met de naďviteit van die jeugddromen.

Het is echter juist deze droom, deze utopie, deze "wonderlijke vergissing" die Nescio's hele oeuvre voorstuwt.

Dinaux zegt hierover : "Nescio... vergrijsde met de mythe van zijn jeugd, niet de gulden legende van onze eeuw, die dagtekent uit haar eerste dertien jaren." [9]

In 1900 vroeg Nescio toe te mogen treden tot Van Eedens commune. In "Titaantjes" is ook die bewondering omgeslagen in nuchter realisme:

"In de kolonie van Van Eeden hadden we misschien kunnen gaan, maar toen we op een zondag er heen waren gelopen, vier uur gaans, toen liep daar een heer, in een boerenkiel, met dure gele schoenen, kolombijntjes te eten uit een papieren zak, blootshoofds, in innige aanraking met de natuur, zooals dat toen genoemd werd, en z'n baard vol kruimels. " [10]

Lees verder...

[1] Uit "Signalement Nescio". Gepubliceerd in L. FRERICHS, Over Nescio, o.c., p.278.

[2] Uit Nescio's dagboek, 6 maart 1901. Wordt vermeld in L. FRERICHS, Nescio in 1900 : 'Ik ben blij en ben er trotsch op te weten, dat ik niets weet.', In : Tirade, jrg. 26, 1982 (mei-juni), nr. 276, p.259-269.

[3] "Titaantjes", p.48-49.

[4] Idem, p.47.

[5] Idem, p.70.

[6] Uit de circulaire die bij de oprichting van G.G.B. in 1901 werd verspreid. Deze werd gepubliceerd in : Mededelingen van Het Van Eden-genootschap, jrg. 5, 1938, p.13. Wordt vermeld in : R. BINDEIS, Nescio, p.8.

[7] Uit een ingezonden brief van Nescio aan "De Pionier", 12 januari 1907. Wordt vermeld in : R. BINDELS, Nescio, o.c., p.10.

[8] Uit "De Pionier" van 29 december 1906. Wordt vermeld in : R. BINDELS, Nescio, o.c., p.9.

[9] DINAUX, C.J.E., Nescio, In : C.J.E. DINAUX, Herzien bestek. Amsterdam, 1974, p.26-32.

[10] "Titaantjes", p.52.