Ik had een beetje naar de vijfde september toegeleefd. Op de dag zelf belde ik naar een plaatselijke boekhandel met de vraag of het Verzameld Werk van Nescio aangekomen was. "Het Verzameld Werk van Nescio?", herhaalde het meisje dat me te woord stond. 'Mag ik ook weten wie de schrijver is?' Nescio in Zeeland, nou ja, in Terneuzen.

Een Praalgraf

Mijn eerste indruk die vijfde september - ja, het werk was wel degelijk aangekomen - : Wat een weelde. Twee boeken voor het leven in cassette aangeleverd. De cassette met Bordeaux rood linnen bekleed, de losse omslag van de gebonden werken oud roze of hoe noem je dat en de kaft van de boeken zelf weer een tint donkerder en met goud op snee Nescio Verzameld Werk I en II op de ruggen. Op de kaft aan de voorkant zweeft een mysterieuze, grote, sierlijke en onduidelijke N.

Na enige tijd begon ik voorzichtig, overdreven onwennig, te lezen. Hier en daar een regeltje. Voor echt lezen was het nog te vroeg. Na een minuut of tien vond ik het tijd om de boeken terug in hun onderkomen te plaatsen. Dat bleek echter gemakkelijker gezegd dan gedaan. De cassette was wel erg krap bemeten. Eén boek erin, dat was geen punt, maar het tweede kreeg ik niet op de plaats. Even nam ik aan, dat ik ze misschien het beste allebei tegelijk naar binnen kon schuiven, maar ook dat lukte niet. Ik bekeek de boeken nog eens aandachtig. Waarom wilden ze niet? Toen ontdekte ik dat de omslag van deel II een millimeter omhoog geschoven was. Het uitstekende randje blokkeerde de toegang. Opnieuw nam ik de werken ter hand, nadat ik de omslag had teruggeduwd en nu lukte het me, zij het met de nodige moeite, om beide boeken achtereenvolgens in de cassette te duwen.

Ondanks dit kleine manco was ik verrukt over de uitgave. Maar wat zou de schrijver er zelf van gevonden hebben, vroeg ik me af. Ik durf het aan om uit zijn mond te noteren:

"Kijk eens aan, een praalgraf."

 

Nescio

Nescio. Grafiek: Jan Verschoore.

 

 

Kennismaking

Op mijn zeventiende leerde ik het werk van Nescio kennen. ]n die tijd was de naam van de schrijver bij het grote publiek nog onbekend en dat is eigenlijk nog zo. Wel wordt op het ogenblik, het Verzameld Werk zelfs via de Sterreclame aangeprezen, wat ik op zich geen aangenaam gezicht vind: Nescio in een tv-reclamespotje, maar ik denk niet dat er daardoor buiten de groep in literatuur geïnteresseerde lezers om, één exemplaar meer wordt verkocht. Nescio is geen Wolkers of 't Hart.

Op aanraden van mijn leraar Nederlands, Frits Niessen, had ik De Uitvreter, Titaantjes, Dichtertje en Mene Tekel aangeschaft, tezamen 151 bladzijden. Het was een blauw boekje, deel 74 uit de Nimmer Dralend Reeks van van Nijgh en Ditmar.

Achteraf is het moeilijk om weer te geven wat voor indruk de verhalen toen op me maakten. In ieder geval besefte ik dat ik niet een maar het boek gevonden had.

 

Mijn woordeloze gedachten stonden plotseling op papier.

En niet alleen die van mij, maar ook die van mijn vrienden. Ik vermoed dat we in de jaren erna vaak voor Titaantjes gespeeld hebben. En veel te lang waarschijnlijk.

Ik was overigens niet de enige die in de zestiger jaren de schrijver ontdekte. De thematiek van het werk sloot immers naadloos aan bij de tijdgeest.

Er was een soort jeugdrevolutie aan de gang. En ofschoon Nescio (Koekebakker) verder keek dan zijn jeugd lang was, bood het boek voor mij en talloze anderen voldoende mogelijkheden voor identificatie.

Afgezien van deze specifieke opleving, of liever gezegd doorbraak, denk ik dat iedere nieuwe generatie lezers van het werk onder de indruk moet komen. Het gaat tenslotte in Titaantjes en de rest van de verhalen om tijdloze gegevens als verwachtingen, verlangen, gedwongen aanpassing, erotiek.

Om op mijn betrokkenheid terug te komen: op den duur kende ik het werk bijna uit mijn hoofd. Een enkele keer gebeurde het nog wel, dat ik een zinnetje tegenkwam, dat nieuw voor me was en me verraste. Dan kreeg ik ongeveer hetzelfde gevoel als die ene keer dat ik op straat een rijksdaalder vond.

In de loop der jaren kocht ik natuurlijk alles wat ik van de schrijver te pakken kon krijgen. Allereerst Boven het Dal, zijn tweede en in feite laatste boek, dat hij zelf twintig jaar voor het verschijnen had samengesteld. Vervolgens diverse boekjes met fragmenten en tijdschriften of boeken over de schrijver. Dat alles over een periode van meer dan dertig jaar. En uiteindelijk dus het Verzameld Werk: de hele la van de schrijver gelicht.

 

Verlangen en natuurmystiek

Lange tijd is Nescio de schrijver van drie verhalen (novellen) geweest: De Uitvreter, Titaantjes en Dichtertje. De verhalen hebben hem als schrijver zijn faam gegeven. Niet vanwege de psychologische tekening van zijn hoofdfiguren, want die is nogal rudimentair. Zijn teksten moeten het vooral hebben van de sfeertekening. In De Uitvreter en Titaantjes zoeken een aantal jongens, jongeren uit Amsterdam, naar wegen om een leven te leiden dat de moeite waard is. Ze verkeren in anarchistische en/of artistieke kringen maar de meeste hebben ook nog een baantje om den brode. Ze zoeken en verlangen en vinden vaak een uitweg in het contact met de natuur, die lyrisch beschreven wordt door de auteur.
"En dan gingen we de zon op zien komen aan de Zuiderzee, behalve Kees, die naar huis ging. Hoyer klaagde over de kou, maar Bavink en Bekker wisten nergens van. Die zaten op de steenen onder aan den zeedijk met de oogen half dicht en keken tussen hun oogharen door naar de dansende gouden pijltjes die de zon in 't water maakte. Stapelmal werd Bavink er van. Naar de zon loopen wilde-i over de lange, lange schitterende streep." [1]
Met de meeste Titaantjes loopt het niet goed af. De schilder Bavink wordt gek. De Uitvreter pleegt zelfmoord en de ik-figuur Koekebakker wordt weliswaar een wijs en bedaard man, maar de verlangens uit zijn jeugd blijven hem achtervolgen.
 
In Dichtertje handelt het in feite om hetzelfde gegeven. Alleen biedt hier niet de natuur, maar de erotiek een kans op ontsnapping uit het 'dal der plichten'. Maar ter geruststelling: ook het Dichtertje wordt gek aan het eind van zijn 'eindeloze gedicht'.
De thematiek omvat dus een fundamenteel gegeven: de botsing tussen verlangens en werkelijkheid, tussen wat zou kunnen en wat is, maar ook tussen mystieke beleving en alledaagse zorgen. De onvolkomenheid van het leven kortom, daar lijden de hoofdpersonen allemaal aan.
Het latere, nog door hem zelf geredigeerde werk, het in 1941 gereedgekomen Boven het Dal, is doordrongen van dezelfde gevoelens. Het perspectief is echter logischerwijs veranderd. In Insula Dei ontmoet de hoofdpersoon, gepensioneerd en wel, een vriend van vroeger. Beide blikken terug op hun verleden en markeren in hun gesprekken hun ontsnappingsroutes uit het alledaagse. Natuurmystiek en landschapsbeleving spelen opnieuw hun bekende rol.

 

Beperkt oeuvre

Goed, geen geringe thematiek lijkt me, 'het menselijk tekort', maar waarom brengt deze schrijver met zijn compleet wereldbeeld en zijn opmerkelijk analytisch vermogen aanvankelijk niet meer dan drie verhalen voort. En, nog belangrijker vraag, hoe kan het dat hij daarmee zo'n vooraanstaande plaats in de Nederlandse literatuur veroverde.
Kortom wie was Nescio? Aan het antwoord dat in het, aan het Latijn ontleende pseudoniem (ik weet niet) opgesloten is, ga ik maar even voorbij. Nescio werd in Amsterdam in het jaar 1882 geboren als J.H.F Grönloh. Hij volgde na de middelbare school een handelsopleiding. In die tijd was Multatuli als schrijver zijn voorbeeld. Hij schreef opstellen en lezingen in Multatuliaanse trant. In zijn 'jongelingsjaren' kwam hij bovendien in aanraking met een anarchistisch experiment à la Walden van Van Eeden.
Na de mislukking hiervan koos hij voor een carrière in de handel. Tussen 1910 en 1918 schreef hij zijn bekende verhalen. De problemen bij het publiceren vormen een verhaal apart, maar dat moet binnen dit kort bestek achterwege blijven. Intussen maakte hij carrière, bracht het zelfs tot directeur van een exportfirma (1926) en zou dit tot 1937 volhouden.
Om op de eerst gestelde vraag terug te komen: Nescio dankt zijn erkenning vooral aan zijn unieke stijl. Hij is geen auteur met een dwingend productieplan, maar een soort geniale zondagsschrijver. Zondagsschrijver, niet omdat hij naïef is in de benadering van de wereld of van het schrijven op zich, maar omdat hij schrijft 'als het komt'.
En dat in een stijl die bijna experimenteel is in zijn eenvoud, in een tijd waarin gekunsteldheid in de literatuur nog steeds troef was.
Maar als je zo goed bent, waarom dan niet wat meer geschreven? Het gebruikelijke antwoord op deze vraag is, dat hij met zijn verhalen gezegd had wat hij te zeggen had.

 

Bovendien zou hij bang geweest zijn dat hij met nieuwe verhalen afbreuk zou doen aan zijn bestaande werk (" Ik wil niet zakken-"). Ik vind dit opvattingen die misschien achteraf heel plausibel klinken, als het werk voltooid is en de schrijver al lang dood. Aan de andere kant doen ze echter geen recht aan de levende schrijver en bieden ze geen inzicht in de mechanismen en omstandigheden die zijn schrijven bepaalden.
Nescio was zoals gezegd een groot stillist, maar het schrijven van een verhaal was voor hem geen eenvoudige zaak, laat staan het produceren van een roman. Uit zijn verzameld werk, blijkt dat zijn verhalen met hun organische levende stijl het resultaat zijn van talloze bewerkingen en verschuivingen. Nescio schreef, herschreef, veranderde een openingszin nog eens, verschoof hele stukken, breidde uit en kapte weer af.
Alleen als de omstandigheden er naar waren, als hij er als het ware om psychische en artistieke redenen niet om heen kon, was hij in staat om een schitterend verhaal te construeren.
Dit was bijvoorbeeld ook het geval met zijn vierde grote verhaal Insula Dei, dat hij dertig jaar na het publiceren van de eerste drie schreef.
De kwaliteit van Insula Dei doet niet onder voor die van de eerdere verhalen. Het is duidelijk dat dit verhaal geschreven moest worden, als een soort eindafrekening.
Nescio, de man met de bewonderenswaardige stijl, schrijver van de mooiste verhalen uit de Nederlandse literatuur, was, hoe tegenstrijdig het ook klinkt, een zeer beperkt schrijver. Het laatste, zijn beperktheid, lijkt me onlosmakelijk verbonden met zijn kwaliteiten als schrijver. Als hij gemakkelijk geschreven had, had hij waarschijnlijk nooit die kenmerkende intensiteit in zijn verhalen bereikt.

 

Het verzameld werk

Wat is het aardige (daar begint het al) van critici of bewonderaars die over Nescio schrijven? Ze nemen zijn stijl en daar mee ook zijn levenshouding een beetje over. Zijn weemoed en zijn ironie, zijn mystiek en zijn nuchterheid.

Het verst daarin gaat Kees Fens[2]. Die neemt zich zelfs voor, na lezing van het Natuurdagboek, om weer te gaan fietsen. Maar laat ik bij mijn onderwerp blijven: Het Verzameld Werk van Nescio. Het bestaat uit twee delen. Het dikste, deel I, bevat het oorspronkelijk uitgegeven werk, plus alle varianten van die verhalen. Bovendien zijn er diverse jeugdschetsen en fragmenten van later werk in te vinden.

De aandacht van de meeste critici gaat vooral uit naar deel II, het Natuurdagboek. Dit bevat immers het echte nieuwe werk, zij het dat Tirade in haar Nescio-nummer uit 1982 al zo'n 65 pagina's prijsgaf.

Dagboek is op het eerste gezicht een misleidende titel voor de 410 bladzijden. Bij die term denk je toch aan intieme, op schrift gestelde ervaringen. Bij Nescio is daar zeker de eerste jaren geen sprake van. Bekentenissen en de neerslag van alledaagse beslommeringen en overdenkingen spelen geen rol. Veel meer dan schematische geheugensteuntjes zijn de eerste beschrijvingen van zijn uitstapjes niet. Gaandeweg komen wel steeds meer . gemengde notities' voor, maar over het algemeen houdt de schrijver zich met ijzeren consequentie aan de opzet van zijn dagboek, dat geen enkele literaire pretentie had.

Zelfs op de dag van de begrafenis van zijn kleinzoon vermeldt Nescio alleen de weersomstandigheden en andere voor zo'n tragische gebeurtenis onbelangrijke feiten. Hugo Brandt Corstius maakte de lezers van De Volkskrant[3] hierop attent. Zo'n mededeling komt enigszins harteloos over. De werkelijkheid was anders. Weliswaar zweeg de schrijver over de begrafenis, maar hij maakte wel enkele dagen ervoor melding van het ongeluk, dat zijn kleinzoon trof. Maar dat gebeurt zo ingetogen en subtiel, dat het desbetreffende, fragment een van de beklemmendste en indrukwekkendste passages uit het dagboek is.
Brandt Corstius noemt het natuurdagboek in hetzelfde artikel ook een epos. Waarschijnlijk vanwege de omvang, maar ook omdat de beschrijvingen onbedoeld de neergang van de persoon van de schrijver bevatten. Zijn honderden uitstapjes waren ongetwijfeld voor hem een manier om het levende leven vast te houden, maar naarmate hij ouder werd, was hij steeds minder in staat om erop uit te trekken. In 1956 kwam er een definitief einde aan zijn reizen, nadat hij door een hersenbloeding was getroffen.
Hans Warren schrijft in een kritiek[4]: 'Een nieuwe Uitvreter zit er niet in.', en dat is natuurlijk ook zo. Maar het zal ook niet de bedoeling van de schrijver geweest zijn om een nieuwe literaire impuls aan zijn carrière te geven.
Voor de liefhebber van zijn werk valt er desondanks heel wat te genieten. Zijn stijl verloochent zich niet. En je moet het werk natuurlijk ook niet achter elkaar uitlezen, als dat al mogelijk zou zijn.

 

Onsmakelijk Terneuzen

Nescio is meerdere malen in Zeeland geweest, maar het zou overdreven zijn te beweren dat hij er een speciale band mee had. Hij voelde een grote verbondenheid met tientallen plekken, landschappen, vergezichten die hij met rituele ijver opzocht. De sterkste binding had hij met Amsterdam en omgeving, maar dat zij hem vergeven.

Opmerkelijk is, dat hij een van de belangrijkste figuren uit zijn werk, de Uitvreter, laat opduiken in Veere.

Over Walcheren merkt deze op: "t eenigste wat me spijt is dat je op Walcheren niet eens af en toe een relletje hebt. "[5]
Samen met Bavinck, andere hoofdfiguur, zwierf De Uitvreter rond op Walcheren en keek en staarde: "Urenlang zaten ze samen op 't dak van 't Hospitaal en keken over Walcheren, over de Kreek en 't Veergat en den ingang van de Oosterschelde en de duinen van Schouwen. En daar had je dikke Jan ook weer, den toren van Zierikzee, nu in't Noorden. En daar had je Goes en Lange Jan, den toren van Middelburg, de spil van Walcheren, het hart dier wereid."[6]
Ook in het natuurdagboek wordt melding gemaakt van uitstapjes naar Zeeland: vier in totaal. Dat is relatief weinig als je bedenkt dat er sprake is van meer dan duizend geregistreerde tochten en reisjes (1001) .

 

In september 1946 is hij samen met een vriend in Veere. Erg mild is hij niet voor de omgeving: "Zondag in Veere gebleven, daar geen enkele communicatie op zondag." en "Regenachtig Walcheren ziet er uit kaal met wat dooie boomen als een nieuwe ontginning in Drenthe."[7]
Ook neemt hij de vernielingen in het centrum van Middelburg in ogenschouw en merkt op: "De leelijkste huizen op de Markt staan er nog ni. de bioscoop Luxor en sociëteit en de Amsterdamsche Bank."[8]
En bij zijn aansluitend bezoek aan Terneuzen is hij nog wranger in zijn conclusies: "Gegeten in Grand Hôtel Rotterdam. Door Terneuzen gewandeld: armetierig. Wat elders mooi is (kleine huisjes, gangetjes) is hier ook lelijk, nergens eenige verheffing."[9]
Knap, hoe hij de ziel van een stad in enkele uren doorgrondt.
Het tweede bezoek vindt vier jaar later plaats in de zomer. Het weer is nu beter en waarschijnlijk zijn ook de omstandigheden wat comfortabeler. De beschrijvingen zijn in ieder geval positiever.
"Daar overnacht in den Kampveerschen Toren (eerst zeewaarts zitten kijken in den toren, bloedroode zon verdween in wolkenbank. Later op den steiger naar het Oosten gekeken hoe zachtjes een beetje nacht opsteeg). "[10]
Hij bezoekt opnieuw Terneuzen. Je kan je afvragen wat hij daar te zoeken heeft na zijn eerste vernietigend oordeel over het stadje, maar de kwestie is simpel. Hij heeft er een nichtje wonen.
Hij brengt een bezoek aan de Braakman: "Met Jan-Kees en Gerda in hun auto'tje naar de Braakman (door Hoek) en naar het licht op de punt (ingang van de Braakman) (gezicht op Middelburg).
Fantastische groei van klaprozen en, kleine camillen in een hoek van de dijk!"[11]

 

 

Gegeten in Grand Hôtel Rotterdam
'Gegeten in Grand Hôtel Rotterdam [...]'. Foto : Johan Kein.

 

 

Veere haast eetbaar

Een jaar later keert hij terug. Het is nu 1951.
Bezoekt Middelburg en gaat terug naar Veere: "Met Louis op het Hospitaal geklommen. Beperkt zicht: Schouwen nauweliks, Zierikzee twijfelachtig, Goes net, Vlissingen nauwelijks, Westerschelde niet. Maar Veersche Gat heel blank en Zandkreek met hoog water en een prachtige bocht. Op de balk gezeten met opgetrokken knieën en tegen de balk als in 1908 zoo te zeggen haast bij God (tussen 1/25 en kwart voor 5).[12]
Dit citaat is nogal opmerkelijk omdat Nescio refereert aan zijn eerste bezoek aan Zeeland (1908). Bovendien bevindt hij zich in dezelfde omstandigheid als Bavink en De Uitvreter: hij zit namelijk op het dak van het Hospitaal. De eerder weergegeven beschrijving uit De Uitvreter gaat dus rechtstreeks terug op Nescio's eigen ervaringen op die plek. Het Hospitaal in Veere is natuurlijk de grote kerk van Veere, die in de Franse tijd als hospitaal dienst deed en sindsdien zo is blijven heten.

 

Weer een zomer later: "Veere zeer duidelijk en haast eetbaar: De molen, het hospitaal, het stadhuis, de Kampveersche toren (van links naar rechts)."[13] noteert hij vanuit de trein die hem en zijn vrouw naar Vlissingen zou brengen.
Over de kwalificatie eetbaar voor Veere moeten we niet te licht denken. Dat is de allerhoogste vorm van onderscheiding die de schrijver aan een 'verlandschapt' stadje of dorp uitdeelt. Op de zelfde wijze beschreef hij een jaar eerder het Muiderslot. "De weg en de kromming en de weiden en boomen en de koeien en het bosch van Muiderberg als vage achtergrond. blauw, goud en groen en stilte en vrede en warmte. Een eetbaar Muiderslot. Deo Gratias."[14]
En ofschoon er natuurlijk ook voldoende ironie in zo'n opmerking zit, geeft de typering misschien ook onbewust uiting aan een geslaagde poging om een te worden met wat hij zag: het zichtbare kon gegeten worden , m.a.w. volledig opgenomen.
Nescio in Zeeland, is vooral Nescio op Walcheren lijkt me. Met als hoogtepunt het verblijf van Bavink en De Uitvreter (en Nescio) in Veere. Terneuzen als langdurige verblijfplaats, dat zou een vroegtijdige dood van de schrijver ten gevolge hebben gehad.
Noten

[1] Verzameld Werk, deel 1: Titaantjes blz. 44

[2] De hoogst bereikbare vorm van eentonigheid, Kees Fens, De Volkskrant 9-9-'96

[3] Een dag van nix, Hugo Brandt Corstius, De Volkskrant, 7-9-'96

[4] Een nieuwe Uitvreter zit er niet in, Hans Warren, PZC 13-9-'96

[5] Verzameld Werk, deel I: De Uitvreter blz. 13

[6] Verzameld Werk, deel I: De Uitvreter blz. 13

[7] Verzameld Werk, deel II: blz. 19

[8] Verzameld Werk, deel II: blz. 19

[9] Verzameld Werk, deel II: blz. 20

[10] Verzameld Werk, deel II: blz. 120

[11] Verzameld Werk, deel II: blz. 120

[12] Verzameld Werk, deel II: blz. 176

[13] Verzameld Werk, deel II: blz. 241

[14] Verzameld Werk, deel II: blz. 198

 

© André van der Veeke - Gepubliceerd met toelating van de auteur. Voor meer informatie kunt u best met hem contact opnemen.
Oorspronkelijk opgenomen in Zeeuw Tijdschrift [Zeeuws Tijdschrift, 1996, nr.5].