Het oeuvre van de schrijver Nescio is bijzonder, maar uitzonderlijk klein. Een paar afgeronde verhalen en nog wat losse fragmenten, meer werd er tijdens zijn leven niet gepubliceerd. Toch beslaat het verzameld werk dat onlangs is verschenen in twee opvallend mooie delen dundruk ruim veertienhonderd pagina's. Dat is voor een belangrijk deel te danken aan de kracht van Nescio's zinnen, die een toegewijde bezorgster, Lieneke Frerichs, wisten aan te trekken. Frerichs spoorde een grote hoeveelheid ongepubliceerd materiaal op dat werd ontcijferd, geordenend, herenigd en voorzien van commentaar met publicatiegeschiedenis en al. Bovendien maakte ze zijn volledige natuurdagboek persklaar.

     Aan veel zinnen van Nescio raakte ik gehecht. Elke keer als ik begon aan een herlezing, vertrouwde ik erop dat die zinnen er weer zouden staan. En dat was tot dusver ook zo. Totdat ik vorderde in dit verzameld werk en varianten tegenkwam op inmiddels vertrouwde en klassiek geworden zinnen: `Behalve de man die zich in de Waal verdronken heeft, heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan den uitvreter.' Zo'n zin voelt als niet minder dan verraad wanneer je hem voor het eerst leest, zelfs als je weet dat het verzameld werk opent met de klassiek geworden variant. In een vroege versie van het verhaal valt de uitvreter (Japi) nog niet samen met de man die zich in de Waal verdronken heeft door van de brug te stappen. [onderschrift: de oude brug over de Waal bij Nijmegen, zoals Nescio hem gezien moet hebben]

     Zouden deze varianten met de klassiek geworden zinnen kunnen gaan concurreren in de hoofden van hedendaagse lezers? Net zoals de uit een laboratorium ontsnapte mutanten van een verkoudsheidsvirus in onze hoofden concurreren met stammen uit het wild? Hoe onsterfelijk zullen de klassieke zinnen van Nescio blijken te zijn, nu ze concurrentie hebben gekregen van de postuum gepubliceerde alternatieven van hun eigen schepper? Waarschijnlijk zal het wel mee vallen. Het valt nog te bezien of die varianten gelijkwaardig zijn aan de door Nescio uitgekozen versies. En ik besef heel goed dat mijn hoofd maar een enkel knooppunt is in het wereldomspannende memenweb.

     Het bezorgen van dit verzameld werk, hoe nobel ook in bijna alle opzichten, is misschien minder onschuldig dan je in eerste instantie zou vermoeden. Want Nescio's memen vonden in Frerichs een toegewijde memenraapster die er alles aan heeft gedaan om de destijds door Nescio verworpen varianten een nieuwe kans te geven.

     Het begrip meme werd in 1976 geÔntroduceerd door Richard Dawkins. Het komt in de Van Dale nog niet voor, maar is onlangs wel opgenomen in de Oxford English Dictionary: `An element of culture that may be considered to be passed on by non-genetic means, esp. imitation.' Een meme kan van alles zijn: een melodie, een idee, een truc, een zin van Nescio of een heel verhaal. Zolang de doorgifte ervan maar door middel van imitatie plaatsvindt. Een illustratief voorbeeld van Dawkins is de vraag: Is er leven na de dood? Die meme heeft een geweldige overlevingswaarde. Hij is onuitroeibaar, net als de meme `God', die in veel hoofden nog altijd niet door het rationele alternatief `geen God' is verdrongen.

     Wat wordt ervaren of geleerd zonder imitatie is geen meme. Gapen bijvoorbeeld, hoe aanstekelijk ook, is geen meme. Gapen is een oude reflex die bij gewervelde dieren heel algemeen voorkomt. Anders dan leren door imitatie, dat in het dierenrijk juist zeldzaam is. Mensen, (mens)apen, dolfijnen en sommige vogelsoorten (zang) zijn waarschijnlijk de enige dieren die tot imitatie in staat zijn.

     Memen vermenigvuldigen zich door imitatie en kunnen dat in principe veel sneller dan genen. Ze springen van hoofd tot hoofd, zonder afhankelijk te zijn van de vertragende seks waarop genen voor hun vervoer zijn aangewezen. Sociobiologen weten natuurlijk ook wel dat menselijke cultuur vergaand is losgezongen van de biologische evolutie, maar ze proberen toch nog altijd om cultureel succes terug te brengen tot het een of ander genetisch voordeel. Misschien heeft dat in kleine gemeenschappen van jagers-verzamelaars nog enige zin, maar in de westerse technologische maatschappij lijkt het me een heilloze onderneming. Dawkins opperde, nogal opmerkelijk voor een genselectionist, dat biologische en culturele evolutie bij de hedendaagse mens grotendeels losgekoppeld zijn geraakt. Al zou het recht zegevieren en het verzameld werk van Nescio straks wereldwijd worden gelezen, de kans dat het succes van de verbreiding van zijn memen een geboortegolf van Nescio's nazaten tot gevolg zou hebben, is verwaarloosbaar klein. Ten minste dat is het idee van de memetici, die bestrijden dat memetische evolutie altijd tot genetische evolutie zou kunnen worden teruggebracht.

     Memen zijn replicatoren. Ze zijn er uitsluitend op uit kopieŽn van zichzelf te maken en efficiŽnt te verspreiden. Daarin lijken ze verdacht veel op genen. Tussen genen en memen bestaat misschien zelfs meer overeenkomst dan analogie alleen. Dat denkt de filosoof Daniel C. Dennett, die in zijn boek, Darwin's Dangerous Idea (1995) de overeenkomsten tussen genetische en culturele processen onderzoekt. Willekeurige erfelijke variatie, scherpe selectie en doorgifte van de erfelijke eigenschappen van de succesvolle varianten zijn de drijvende krachten van biologische evolutie. Zou culturele evolutie ook zo bekeken kunnen worden? Als een proces waarbij er voortdurend nieuwe en willekeurige culturele varianten worden gegenereerd en uitgetest? Ik sluit het niet uit. Amper had ik het verzameld werk van Nescio uitgelezen of de concurrentiestrijd tussen de vertrouwde zinnen en de opgegraven varianten die van Frerichs een herkansing kregen, begon.

 

Lees verder...

Pagina 1/3

 

© Tijs Goldschmidt - Gepubliceerd met toelating van de auteur.
Oorspronkelijk opgenomen in 'Nescio:  'Schrijft U over mij maar niks' '. In: NRC Handelsblad, 6 september 1996.
Dit is de herwerkte versie die verschenen is in:
Tijs Goldschmidt, Oversprongen : beschouwingen over cultuur en natuur. Promoteus, Amterdam 2000.