Nescio
Startpagina
Nieuw
Biografie
Bibliografie
Artikels
Bibliotheek
Extra
Deze website
Zoeken
Links
Overzicht
Teken het gastenboek!
artikels
 

 

Reliekjes

Kees FENS

lijn

De in 1961 gestorven auteur Nescio wordt nu door velen zó vereerd dat alles dat van en over hem bekend wordt, de godsvrucht alleen nog maar kan verhogen. Elk vondstje is een nieuwe relikwie, al zal het maar een zin van enkele woorden groot zijn. Nescio is het "groot zijn" of" belangrijk zijn" ver te boven : hij is misschien wel de enige literaire heilige van de Nederlandse letteren. En de Nederlanders zijn te verdelen in twee soorten: zij die hem wel en zij die hem niet persoonlijk gekend hebben De eerste groep lijkt soms een beetje in zijn bijzonderheid te, delen, zoals eens pelgrims de geur van heiligheid uit een ver oord jaren konden blijven verspreiden.

Nescio die "in de wereld" - als ik die typisch Roomse term even aan mag houden - J.H.F. Grönloh heette, werd geboren in 1882. In 1918 stelde hij een ogenschijnlijk kleine daad: hij publiceerde een boekje met drie verhalen. Verhalen van een oudere, misschien wijzere maar zeker droevere man over die tijden van eens toen zij nog "jongens" waren. En dat leek vanuit de verhalen gezien heel lang geleden. Die kleine daad is vele jaren later het eerste wonder geworden. Het boekje bleef tot 1961, het jaar van Nescio’s dood, de enige publicatie van de auteur. Aanvankelijk wist niemand wie hij was, zodat het boekje zelfs aan anderen werd toegeschreven. Bij de tweede druk, in 1933, moest hij zijn wereldse naam bekend maken. Hij was toen een auteur van weinigen en dat is hij jaren lang gebleven: zijn bijzonderheid en het wonder van het boekje werd doorverteld, vooral middels veel citaten, want belangrijke auteurs worden bestudeerd, de heiligen leven in spreuken verder. In 1947 kwam een derde druk en heel langzaam begon het canonisatieproces op gang te komen. Het allerbijzonderste was uiteraard dat de verrichter van het wonder sinds 1918 geen daad meer had gesteld. Maar hij leefde nog wel. Wie was de onbekende heilige? De eerste pelgrims - geprezen zij hun naam -begonnen hem te bezoeken en de man die zo graag onbekend had willen blijven en een rietkraag langs een sloot mooier vond dan alle literaire roem, begon een beetje bekend te worden. Een beetje. Want wat bleef het curieuze (wat de roep van heiligheid alleen maar zou vergroten, overigens) de pelgrims brachten alleen maar kleine relieken mee: één enkele uitlating die door hen als een nieuwe orakelspreuk werd doorgegeven, een indruk van de man. Maar een nieuw wonder leek van hem niet te verwachten, de heilige leek van eigen wondertijd weggegroeid.

Toen hij stierf was echter net het tweede wonder gebeurd. Er bleek een tweede boek te zijn. In 1942 was het samengesteld en afgesloten čn opgesloten. In een pakje. Dat werd pas na achttien jaar geopend. Boven het dal, zoals het tweede boek heette, kwam eruit. De roem en de roep begonnen hierna. De auteur leefde niet meer; wat ons restte waren de twee boekjes, En daaruit werd, met de schaarse gegevens die de bezoekers hadden meegebracht, het geestelijk portret van de man Nescio geschapen. Maar de man Grönloh werd steeds meer onzichtbaar. Het is met hem als met de echte heiligen: wat ons rest, is ten slotte een aantal heilige plaatsen die hij bezocht heeft, waar hij "langs is gegaan". Wie het aan Nescio gewijde schrijversprentenboek bekijkt en leest, is in de wereld van de legende: een paar portretten van de man, ontelbare foto's van zijn heilige plaatsen en verder: vele afbeeldingen van heilige voorwerpen als zijn trein- en buskaartjes. En uiteraard veel citaten uit de boeken, de spreuk geworden gedeelten. Zelden zal een auteur zo in zijn werk en wat aanleiding was tot dat werk verdwenen zijn. Er blijft ons slechts een legendarische figuur over: eens wilde hij door niemand gekend worden, de eerste bekenden uit de literaire wereld zochten naar relatie tussen die man en het verre werk en hoorden zinnen en kregen enkele indrukken die zij in hun beeld pasten, maar hij liet zich niet kennen, tenzij in knorren en mompelen. Maar zelfs dat kreeg een grote betekenis, zoals bij echte heiligen de kleinste zaak belangrijk wordt. We zitten nu met de legende. En niemand zal ons er vanaf kunnen helpen, want wat is er te publiceren? Herinneringen van dezelfde mensen die hem eens als eersten bezochten, opgedoken nagelaten fragmentjes, zuchtjes proza die niet verder konden en wilden reiken dan de boom voor de deur, feitjes, brieven of briefjes, en de laatste wel bijna allemaal geschreven in dat typische proza waarvan elke zin het product lijkt van een heel proces van nadenken.

Er is nu weer een klein boekje verschenen met teksten, tekstjes, herinneringen en brieven. Voegen ze iets toe? Nee. Ze laten de legende onaangetast. Het boekje is in feite voor een groot deel een nieuwe verzameling reliekjes, van de soort waarvan we er al zo veel hebben. Maar de echte vereerders zullen bij veel zinnetjes een zucht van herkenning slaken. Er staan nogal wat brieven en brieffragmentjes in het boekje, dat gewoon Nescio heet (aparte uitgave van "De Engelbewaarder"). De aardigste brieven zijn die aan een meisje dat in een sanatorium moet verblijven. Ze werden aan het begin van de vijftiger jaren geschreven. In oktober 1951 verscheen Nescio ook ineens op de Konferentie van de Nederlandse Letteren die toen in Brussel werd gehouden. Uit zijn verslag in de brief blijkt, dat hij niet bepaald een congresganger was. Hij beleefde zijn eigen beschouwende plezier: uitkijken boven het dal der plichten heen: "Het kongres was in de bovenstad die geheel uit paleizen, ministeries, parken, beelden, zuilen en fonteinen bestond. En die lekkere kleine keitjes die ze zoo mooi gelijk en glad kunnen leggen in België en die zoo schitteren in de zon. Den ochtend heb ik doorgebracht met te zitten op het terras voor de grote broeikas (zuilen en een groen koperen dak) en de Ste Gudule en de spits v/h beroemde stadhuis in de nevel te zien en daarna in een café de kranten gekocht aan stalletjes. Die vent had ook "Het Pallieterken" met een hoofdartikel: Cultureel verdrag met Haďti!, natuurlijk ongijn, maar het kostte 5 franken, dat was me te duur, het was maar een miserabel klein krantje." Iets verder heeft hij het over "al die Belze auteurs die, allemaal in plaatsjes wonen als Sichem, Lier en Ingooyghem."

 

© Kees Fens. Gepubliceerd met toelating van de auteur/krant.
Oorspronkelijk opgenomen in De Standaard der Letteren [De Standaard, 10 oktober 1996, blz. 19].

 

Afdrukbaar Afdrukbare layout
Laat me een boodschap achterLaat me een boodschap achter

Laatste wijziging aan deze pagina: 17 november 2006

 
Een bericht versturen naar de webmaster (Bert Rodiers)