‘Ik ben nu 65 jaar. En een half. Ook de weinige jaren die mij wellicht nog resten hoop ik door te brengen in stil verkeer met onzen Lieven Heer en zijn velden en boomen en waters zonder bemiddeling van priesters en hoogepriesters.’ Deze ontboezeming is onderdeel van Nescio’s ‘Belijdenis’ die hij op 22 december 1947 op papier zette. Is er hier een mysticus aan het woord? Iemand die verlangt naar een omgang met God in ‘stil verkeer’, en dat zonder tussenkomst van officiële ambtsdragers. Of spreekt hier iemand die rust zoekt in de chaos van zijn leven? Even weg van de wereld om er daarna weer in terug te keren.

Een kleine twee jaar voor hij zijn ‘Belijdenis’ schreef, was Nescio begonnen een dagboek bij te houden. De gebeurtenissen van de dag die Nescio in zijn dagboek optekende zijn speciaal gekleurd. Hij hield niet een intiem of geheim dagboek bij met allerhande notities over wat hij had beleefd met andere mensen of over gesprekken die hij had gevoerd. Grote persoonlijke onthullingen vallen in zijn aantekeningen niet te ontdekken. Nee, Nescio’s dagboek is één lyrisch verslag van zijn veelvuldige tochtjes door het Hollandse landschap. Het dagboek heeft daarom als titel ‘Natuurdagboek’ gekregen.

Dat Hollandse landschap was trouwens wel beperkt voor Nescio. Hij had zijn voorkeuren. Het liefst ging hij eropuit in het Gooi. Met de bus van Amsterdam naar Muiden, Kortenhoef of Loosdrecht, of met de trein naar Abcoude om vandaar aan zijn wandeltochten te beginnen. Een enkele keer nam hij de fiets. In het Gooi zwierf hij door het ruime landschap met het weidse blikveld, de plassen, de bomen en de kerktorens. Dat was zijn vertrouwde omgeving. Maar ook de grote rivieren als de IJssel en de Maas hadden zijn bijzondere belangstelling. Daarnaast bezocht hij Limburg en Zeeland. De eerste provincie vanwege de mooie uitzichten over de dalen, de tweede vanwege de immense Schelde. In Eindhoven en Groningen kwam hij regelmatig voor een bezoek aan één van zijn dochters. Om naar Groningen te reizen, nam hij meestal het veer Enkhuizen-Stavoren. Bijna elk landelijk gebied in Nederland had wel iets van zijn gading, maar  de terugkomst in zijn eigen gebied begroette hij telkens met grote vreugde. Daar had hij zijn vaste herkenningspunten, daar voelde hij zich echt thuis.

 

Kijken

Uit zijn aantekeningen valt op dat Nescio’s aandacht gericht is op kijken. Wat staat waar, hoe licht de schaduw? Maar zijn aandacht gaat vooral uit naar wat ver weg is. Niet dat hij geen oog geeft voor details, integendeel. Juist de kleine onderdelen staan in zijn belangstelling. Hij komt veel in Muiden om het Muiderslot te bezoeken en in het restaurant een kopje koffie te drinken. Maar waar hij naar kijkt is niet Muiden. Zijn blik richt zich over het water naar Ransdorp: hoe staan daar de bomen en huizen. Heel precies noteert hij later in zijn dagboek wat hij heeft gezien. En wanneer hij in Ransdorp is, kijkt hij weer naar Muiden. Alles wat aan de horizon staat, neemt hij in zich op: de bomen en de kerktorens vooral. Van een afstand ziet alles er ook anders uit. ‘De van dichtbij zoo lullige rijtje huisjes aan den weg bij die kerk die bij de ‘s Gravelansche vaart staat, nu in de verte zoo lief, roode daken met witte sneeuw,’ zo schrijft Nescio over een tochtje van 2 december 1952. Of over 6 mei 1951: ‘Maaseyck is op z’n aardigst als je er niet bent, maar het uit de verte ziet liggen, allemaal zwartig rooie daken en boven elkaar uit en een torentje links (de nieuwe toren, rechts, is nix).’ De details zijn anders en het beeld laat ruimte voor eigen invulling. Door de afstand krijgt zijn fantasie alle ruimte. ‘De 2 torens heel klein en ver, in een wazig koperen horizon, zoo leek ‘t nog wat.’ Zo, op en afstand kan hij er nog iets van maken, kan hij zijn eigen wereld creëren. En alles wat zijn blik in de weg staat, noteert hij: ‘beperkt zicht (heiig)’, ‘de zee wazig’, ‘gesloten wolkendek en koue wind’, of ‘De dijk weer en de ergernis dat je links niets ziet.’

Het is niet verwonderlijk dat Nescio een grote voorkeur heeft voor de zachte seizoenen, het voorjaar en het najaar. Dat is tijd dat hij eropuit kan en de horizon wordt beschenen door de zon. Elk jaar van zijn Natuurdagboek begint hij met notities over de eerste sneeuwklokjes die hij ziet of de eerste koekoek die hij hoort. Zij zijn de boodschappers van een nieuw jaargetijde. De zon gaat weer schijnen en de bomen gaan bloeien. Het is weer de tijd van de mooie uitzichten.

In de vele besprekingen die zijn verschenen naar aanleiding van het verschijnen van het Verzameld werk in 1996 is overvloedig aandacht besteed aan het Natuurdagboek. En in verschillende recensies is gewezen op een mogelijk religieuze aard. Zo schreef Kees Fens in de Volkskrant over het Natuurdagboek: ‘Aan de gedachte aan een religieus of mystiek karakter in de ervaringen ontkomt men soms niet. Ik zeg het heel voorzichtig.’ T. van Deel ging in zijn recensie een stapje verder: ‘Nescio’s “Natuurdagboek” is een monument van aardse mystiek en onderstreept nog eens vanuit Nescio’s eigen leven het centrale belang van de natuurmystiek in verhalen als “De uitvreter”, of “Insula Dei” of “Buiten-IJ”.’ Nog stelliger was Rob van Erkelens in De Groene Amsterdammer die in het literaire werk mystiek minder aanwezig acht dan in het Natuurdagboek: ‘In het literaire werk is minder plaats voor de natuur, de mystiek en God’. In het Natuurdagboek daarentegen is volgens Van Erkelens wel een ruime plaats voor mystiek. Religieus karakter, aardse mystiek, natuurmystiek, en zelfs mystiek? Wat is mystiek dan? En hoe mystiek is het Natuurdagboek van Nescio?

 

Mystiek

Mystiek is een begrip dat veel gebruikt wordt – bijna te pas en te onpas – en waar vele definities van bestaan, al naargelang het tijdsgewricht. Woorden die echter steeds terugkeren in de definities zijn: eenwording, aanraking door iets hogers, een proces dat verschillende stadia kent. In zijn boek Wat is mystiek? geeft Paul Mommaers als definitie van de mysticus: ‘Het is iemand die op overweldigende wijze de tegenwoordigheid ervaart van iets wat hemzelf overstijgt en veel werkerlijker is dan hetgeen men doorgaans voor werkelijk aanziet. [...] de mysticus voelt zijn normale ikheid verdwijnen’. Mommaers onderscheidt wezensmystiek en natuurmystiek. Bij de natuurmystiek is het primaire object van ervaring de natuur; hetgeen waarmee de mysticus éénwordt is de natuur. Bij wezensmystiek gaat het om een directe ontmoeting met God.

Kenmerkend voor mystiek zijn de volgende facetten. Ten eerste is er geen bemiddelende instantie tussen de mysticus en zijn object. Het is een puur individuele ervaring zonder aanwezigheid van anderen. Ten tweede is er sprake van een totale overgave en zelfverlies. De reflectie wordt overstegen, er is alleen nabijheid en beleving van die nabijheid. Deze beleving ondergaat de mysticus passief. Hij roept zijn ervaringen niet op, maar ondergaat ze. Ten derde kan een mysticus na zijn mystieke ervaring(en) niet meer terug naar de situatie voor zijn ervaring. Hij begint een weg te volgen waarvan hij niet meer kan afwijken. Er is een ontmoeting geweest met iets onvergelijkelijks hoogs. Een mysticus heeft vaak moeite met het omschrijven van zijn ervaringen. Om zijn ervaringen toch over te kunnen brengen zoekt hij naar nieuwe woorden en naar metaforen.

Zijn er aanwijzingen in het Natuurdagboek dat er bij Nescio sprake is van mystiek? Onbemiddeld zijn Nescio’s ervaringen zeker. In zijn ‘Belijdenis’ schrijft hij het al: een omgang zonder bemiddeling van priesters en hogepriesters. Met hen heeft hij weinig op. Het liefst trekt hij er alleen op uit in de natuur. Niemand die hem hoeft te helpen. Maar van eenwording is geen sprake in het Natuurdagboek, zeker geen eenwording met God. En zoveel schrijft hij ook niet over God. Spaarzaam maakt Nescio gebruik van het woord God. Over zijn tochtje van 11 juni 1951 noteert hij: ‘Vreeland links, Loenen rechts en dan weer het kerkje van Loenersloot, insula Dei. Over de brug. Verderop ver over de weiden de cathedraal van Vinkeveen en later weer het wegje met de molen en later weer Ouerkerk op de horizon. Een groote ochtend. Geheel opgenomen in God.’ Maar wie of wat is hier geheel opgenomen in God? Is het Nescio zelf? Nee, het is niet persoonlijk bedoeld. Nescio schrijft niet: ik werd geheel opgenomen in God. Het is de natuur die wordt opgenomen in God. De bomen gaan voor zijn ogen op in een groter geheel. De onveranderlijkheid van de natuur valt voor Nescio samen met de onveranderlijkheid van God. Want zo luidt voor Nescio de definitie van God: onveranderlijk. Nescio zelf houdt afstand en weet die ook te bewaren. Hij kiest voor de distantie en kijkt slechts toe. Over zijn uitstapje van 12 oktober 1953 schrijft hij: ‘Het Abcouer meertje met de dichte rij zware boomen aan den overkant verdampend naar God.’ Ook hier zijn het weer de bomen die iets groots verbeelden, iets groters dan Nescio zelf – hij maakt er geen deel van uit. Een jaar eerder, op 31 oktober 1952, noteerde hij een zelfde soort gedachte na een blik op het Muiderslot en zijn omgeving: ‘stil en ver en als onveranderlijk. God die eindelijk tot iets gekomen is’.

Het gebruik van het woord ‘God’ is bij Nescio niet meer dan een echo van oude woorden die hij op catechisatie heeft geleerd. Hij kent de bijbelse woorden nog wel, maar de betekenis is voor hem beperkt. Over een bezoek aan de grote kerk van Veere op 18 juli 1951 schrijft hij: ‘Op de balk gezeten met opgetrokken knieën en tegen de balk als in 1908 zoo te zeggen haast bij God (tussen ½5 en kwart voor 5).’ Heel precies noteert Nescio de tijd van zijn ervaring. Daar hoog in de toren van de kerk van Veere voelt hij de rust waar hij naar verlangt. Even weg van de wereld, een irenische vrede – de eeuwigheid ‘gevangen’ in een kwartiertje. Maar de ironie loert al om de hoek, want direct laat Nescio erop volgen: ‘Veere vol touringcargedoe.’ Lang kan het irenische moment niet duren en vasthouden is bijna onmogelijk. Nescio heeft hier een esthetische ervaring en voelt zich melancholiek. Hij ervaart het geluk van een gevoel van eeuwigheid, maar voelt direct spijt dat de eeuwigheid niet langer dan vijftien minuten duurt, niet langer kan duren.

‘De rivier: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven”,’ schrijft Nescio over de Maas. Want de rivieren zijn voor hem bij uitstek onveranderlijk. Hoeveel water er ook door de rivieren stroomt, ze blijven steeds gelijk. Maar de uitspraak van Jezus uit het Evangelie van Johannes (14:6) slaat nu juist niet op onveranderlijkheid. Het gaat daarin juist om de weg die ten leven leidt. Een weg die door de dood leidt naar de opstanding van het leven. Van onveranderlijkheid is geen sprake. Het leven is een weg om te leren, en de opstanding is de uiteindelijke confrontatie van de dood met het leven. De mens staat hier niet buiten, maar wordt daar volledig in betrokken.

Een ander bijbels woord dat Nescio in het Natuurdagboek gebruikt is schepping. La création du monde. Zo bestempelt Nescio de mooiste momenten die hij beleeft. Wanneer alles om hem heen sereen is, wanneer zijn gemoed tot rust komt, ziet hij de schepping der wereld zich voor zijn ogen voltrekken. ‘Helder, wolkeloos, frissche wind achter. Lage zon boven water, la création du monde. [...] Even was toen alles tot iets gekomen.’ Maar in het Oude Testament komt schepping niet eens voor als zelfstandig naamwoord. In Genesis wordt verhaald van de schepper en zijn schepselen. En deze woorden geven duidelijk aan dat het niet gaat om iets ‘in den beginne’ en daarmee klaar. De schepping stopt ook niet na de vijf dagen. Deze zijn niet meer dan een voorspel voor wat op de zesde dag staat te gebeuren. Dan wordt de kroon op de ‘schepping’ in de wereld geplaatst: de mens. Het gaat om een relatie tussen God en de mens, die niet af is. En met de mens gaat God een weg, een weg ten bevrijding die tot uitdrukking komt in de verlossing van de slavernij, de exodus. De natuur – ook een woord dat niet voorkomt in het Oude Testament – staat geheel ten dienste van de mens. In Genesis wordt de plaats van de mens getekend: tussen de andere schepselen is de mens geplaatst op aarde. De ‘schepping’ is het décor van het toneel waarop de bevrijding zich zal gaan afspelen. Bij Nescio is ‘schepping’ niet meer dan een leeg décor, een stilleven zonder acteurs.  

 

Lees verder...

Pagina 1/2.

 

© Maurits Verhoeff - Gepubliceerd met toelating van de auteur.
Oorspronkelijk opgenomen in Goffe Jensma & Yme Kuiper (red.), De god van Nederland is de beste. Elf opstellen over religie in de moderne Nederlandse literatuur. Kok Agora, Kampen 1997, p. 65-79.