Nescio
Startpagina
Nieuw
Biografie
Bibliografie
Artikels
Bibliotheek
Extra
Deze website
Zoeken
Links
Overzicht
Teken het gastenboek!
artikels
 

 

Een appel valt in de stilte. Over het schrijverschap van Nescio.

Vierde Drienerwolde Lezing. Stichting Literaire Manifestaties Enschede/Hengelo

Lieneke Frerichs

lijn

Laat ik, op echt Nesciaanse wijze, beginnen met het oproepen van tijd en plaats: België, de 22e en 23e augustus 1937. Ik stel me voor dat het twee zonnige, stille, al wat herfstige dagen waren. Nescio was in zijn eentje op reis, zoals hij dat wel vaker deed; ditmaal maakte hij een fietstocht door de Brabantse Kempen. De 22e augustus reed hij van Diest over Zichem naar het noordwesten, bekeek de historische abdijen van Averboden en Tongerloo en keerde weer naar Zichem terug, waar hij de nacht doorbracht in hotel ‘Orange Kasteel’, een voormalig woonhuis van de Oranjes, uit de tijd (tot 1795) dat de heerlijkheid Zichem het bezit was van het huis van Oranje-Nassau. De volgende dag stuurde hij een prentbriefkaart naar zijn gezin in Amsterdam. Hij schreef over zijn fietstocht van de vorige dag en zijn goede nachtrust (‘Geslapen van half elf tot half negen’) en berichtte: ‘Ik ben nog wel vrij gauw vermoeid, maar ik denk bijna niets’ – wat hij kennelijk een goed teken vond. De prentbriefkaart (het woord ‘ansicht’ vermijd ik, want dat is volgens Nescio een verfoeilijk germanisme) laat aan de beeldzijde de idyllische ‘Hof van Orange Kasteel’ zien. Nescio schreef erbij: ‘Dit is een hoekje van den tuin van het hotelletje’. Ik stel me voor dat de gast die ochtend met zijn kopje koffie in de schilderachtige tuin ging zitten. En dit is wat hij waarnam, en wat hij later opschreef:

In den tuin van Sichem hangen de rooie appeltjes aan de boomen in den lichten ochtendnevel. De tuin met het schaap, met de witte besjes aan de struiken. Een ladder staat tegen de appelboom, een appel valt met een plof in het gras in de stilte.

Laten we aannemen dat hij na een tijdje weer eens opstond en op z’n gemak aan de wandel ging. Hij slenterde langs het aardige dorpsplein van Zichem en liep de Sint-Eustachiuskerk in, een mooie oude gotische kerk, waar een vriendelijk licht door de ramen naar binnen valt. De kerk heeft een laag, witgepleisterd gewelvenplafond, dat gesteund wordt door pilaren van natuursteen. De middenbeuk telt tien pilaren; aan zeven daarvan is aan de binnenzijde een console bevestigd, en op elke console bevindt zich een heiligenbeeld. Het is duidelijk dat deze zeven beelden als het ware tot één heilige familie behoren. Ze staan naar elkaar toegewend: links vier en rechts drie. Dankzij hun hoge plaats, ruim twee meter boven de grond, lijken ze levensgroot. Ze zijn zo kleurig beschilderd dat ze er uit zien als ‘plaasteren beelden’, zoals de Vlamingen zeggen, maar ze zijn in feite van hout. Rechts staat Johannes de Evangelist, daarnaast de heilige Catharina met haar wiel en de heilige Ambrosius. Aan de linkerkant draagt Jozef het Christuskind op zijn arm, Julianus wuift met een palmtak, Augustinus toont een boek en Petrus zwaait met zijn sleutels. Deze laatste drie zien er met een omhooggeheven arm extra levendig uit. Augustinus lijkt wel in extase te verkeren: in zijn rechterhand steekt hij een ganzenveer in de lucht en hij roept iets uit, en wat hij roept is te lezen in het opengeslagen boek dat hij met zijn linkerarm omvat houdt. Verdeeld over de linker- en rechterpagina staat met grote letters:

Irre-

Quietum

est Cor

nos-

trum

donec

requies-

cat

in te

 

De Latijnse woorden betekenen: Onrustig is ons hart, totdat het rust vindt in U (en ‘U’ is natuurlijk Onze Lieve Heer). Het is een citaat uit de Confessiones, ofwel Belijdenissen van Augustinus (354-430).

Dit Augustinusbeeld heeft grote indruk op Nescio gemaakt. Hij beschreef wat hij zag, en ik lees het u voor, met misvattingen en al:

In de kerk van Sichem staat Augustinus, levensgroot. Hij is van steen en houdt een steenen boek, opengeslagen, in de hoogte.

Een beetje bevreemdend is die eervolle vermelding wel, want het zijn, om de waarheid te zeggen, geen bijzonder artistieke beelden; ze zijn wat braaf, en de uitdrukking op het gezicht van Augustinus zou je met recht een tikkeltje bigot kunnen noemen. Ik voor mij was bij mijn kerkbezoek meer onder de indruk van de relikwiekast van de heilige Victorius, die in de Barbara-kapel staat opgesteld. Een zoon van Zichem, hoog opgeklommen in de Jezuïetenorde, heeft deze kostbare schrijn in de vorige eeuw in Rome weten te bemachtigen en naar zijn geboortedorp gestuurd. Ernest Claes beschreef de kast anno 1930 in zijn boekje De heiligen van Sichem:

Het is bekanst een klein kapelleke op zijn eigen, met fijne staafkens en lattekens, kruiskens en krullekens, en op het verguldsel hebben ze niet gezien. Door het glas kunt ge de relikwieën zien liggen, stukskens been, een doodskop met nog eenige tanden er in, en een papier waarop geschreven staat dat het allemaal echt is. Die gouden kast is de groote glorie van Sichem, en noch in Evenbeur noch in Scherpenheuvel, noch in Testelt of Diest, hebben ze iets dat daarmee kan vergeleken worden.

Maar de dode botjes van Sint Victorius, ofschoon tot op het miniemste splintertje voorzien van een kerkelijk lakstempel als teken van echtheid, waren kennelijk minder aan Nescio besteed dan het levendige Augustinusbeeld. Hij zal, op die ochtend in Zichem, getroffen zijn door het zo demonstratief getoonde boek van de heilige, en diens extatische blik. Het beeld van de al meer dan 1500 jaar geleden gestorven Augustinus zal hem verschenen zijn als een emblema van het schrijverschap, ja, sterker nog, als de triomf van de Schrijver en zijn Boek – met hoofdletters, natuurlijk.

 

Over het schrijverschap van Nescio wil ik het in deze Drienerwolde lezing hebben. En meer in het bijzonder over zijn schrijverschap in de jaren na 1917, toen hij zijn drie verhalen ‘De uitvreter’, ‘Titaantjes’ en ‘Dichtertje’ had geschreven. Centraal in mijn betoog staat het verhaal ‘Najaar’, dat gepubliceerd is in de bundel Boven het dal. Het verhaal is daar door Nescio gedateerd: ‘November 1922, slot Mei 1940’. Er zijn enkele vroegere versies bewaard gebleven, waarvan ik vooral de eerste versie bij de interpretatie zal betrekken. Ze worden volgend jaar integraal in Nescio’s Verzameld Werk uitgegeven, zodat u vandaag in zekere zin een primeur geniet. Het is niet mijn bedoeling om erg methodologisch-verantwoord te werk te gaan; ik zal vrijelijk verbanden leggen tussen literatuur en werkelijkheid – we zijn hier tenslotte niet voor de wetenschap maar voor ons plezier.

 

Nadat Nescio de verhalen ‘De uitvreter’ en ‘Titaantjes’ in tijdschriften gepubliceerd had weten te krijgen, heeft hij er tussen 1915 en 1917 voor geijverd om ze in een boekuitgave te laten drukken, maar zonder resultaat. De weigering kwam steeds op hetzelfde neer: ‘Onbekende novellenschrijvers zijn absoluut onverkoopbaar’. Uitgever Leo Simons van de Wereldbibliotheek gaf zelfs het advies om eerst een grote roman te schrijven en daarmee enige naam te maken. In 1917 voltooide Nescio het verhaal ‘Dichtertje’, en kort daarna slaagde hij er eindelijk in om zijn drie verhalen te bundelen. Dat boek, met de titel Dichtertje, verscheen, zoals bekend, in april 1918 bij J.H. de Bois te Haarlem, en werd door de critici welwillend ontvangen. De eerste belemmering voor een glanzende schrijverscarrière was weggenomen, Nescio was nu geen onbekende novellenschrijver meer; nu de grote roman nog.

En die roman kwam niet, hoewel er van verschillende kanten naar werd geïnformeerd: ‘Hebt u misschien iets in de pen?’ Nescio heeft wel gevoeld dat hij met iets komen moest. Ik laat hem zelf aan het woord, in een brief van 10 april 1919 aan Agnes Maas-van der Moer:

Of ik nog wel eens wat schrijf? Er liggen stapels rommel, meest zonder eind of begin. Vorige maand ben ik aan een roman begonnen, hajewiet! (een Amsterdamse uitdrukking, die zoveel betekent als: sliep uit!) ‘Ze’ hadden gezegd dat moest ik doen, zonder roman wordt je niet bekend en de uitgever dacht datti d’r vast wel in zou gaan. Nou, ik aan ’t romanschrijven, in een paar dagen had ik wel vijftig zijdjes en de rest stond, in hoofdstukken verdeeld, in mijn kop. Maar ik heb er mee opgehouden, ‘k geloof niet dat ’t wat voor mij is, ik heb nog maar weinig romans ontmoet die niet veel beter veel korter gekund hadden. Voortaan schrijf ik weer alleen wanneer ik zelf wil en wat ik zelf wil, ik kan me dat gelukkig nog veroorloven. Dan maar niet bekend.

Voor wie enigszins thuis is in het werk: de enige twee hoofdstukken die van dit romanproject op papier zijn uitgekomen, zijn veel later gepubliceerd onder de titels ‘Een lange dag’ (ofwel ‘Het begin’) en ‘Verliefdheid’. Het ontwerp voor deze roman is bewaard gebleven en zal in het Verzameld Werk worden afgedrukt. Ik wil er hier niet méér over zeggen, dan dat het een liefdesroman moest worden; Nescio was van plan om de plot als een soort kapstok te gebruiken voor de vele losse fragmentjes die hij had liggen (de ‘stapels rommel’ waarover hij in zijn brief sprak). Van het ontwerp citeer ik hier alleen het verrassende slot:

Als ze beiden (Lize en hij) 34 jaar zijn en hij 4 twistende kinderen heeft ontmoeten ze elkaar in de winter op de Scheveningsche pier, zeggen mekaar dat ze nog altijd eenigermate van elkaar houden en gaan elk naar huis.

Nescio zou later over zijn roman-ambitie zeggen: ‘Zelfkennis is zeldzaam en ook bij mij weleens afwezig.’

 

Wat zou deze zelfkennis hebben opgeleverd? Allereerst, dat een schrijver, althans een schrijver zoals Nescio er een wou zijn, niet zomaar iets kan gaan zitten ‘maken’, en zeker niet op bestelling, ook niet van hemzelf; hij moet wachten totdat de geest over hem vaardig wordt. Nescio vindt er in een andere brief aan Agens Maas een beeld voor: ‘zonder dat ‘k ’t weet groeit eens in de honderd jaar zou ik haast zeggen de bloem uit mijn misère.’ Hij had daarbij de handicap, dat hij maar over een beperkte verbeeldingskracht beschikte, hij kon, lijkt het wel, voor zijn werk slechts putten uit één en hetzelfde reservoir van beelden en ideeën. En in de tweede plaats moet vastgesteld – en dat hangt met het vorige samen – dat hij geen man was voor de lange adem. Een roman is een wereldje op zichzelf, bewoond door personages die huizen met compleet ingerichte kamers hebben, een school hebben bezocht, ouders en grootouders hebben enzovoort. Nescio is erop gericht om al het niet ter zake doende weg te laten, hij geeft om zo te zeggen het distillaat van een romanwereld; hij heeft geen geduld voor het beschrijven van de stoffering, als die niet te maken heeft met de kern van wat hij wil laten zien. Wie met stelligheid verklaart: ‘ik heb nog maar weinig romans ontmoet die niet veel beter veel korter gekund hadden’, ja, die wordt natuurlijk nooit de auteur van Oorlog en vrede. Maar anderzijds: zouden we de vijftig kleine bladzijden van het verhaal ‘Dichtertje’ willen ruilen tegen de roman van vijfhonderd pagina’s die Tolstoï ervan gemaakt zou hebben?

Dat is echter nog niet alles. De drie verhalen, ‘De uitvreter’, ‘Titaantjes’ en ‘Dichtertje’, kunnen in geabstraheerde vorm gezien worden als boodschappen; ze bevatten een bepaalde kijk op leven en wereld, een ‘filosofie’ met een groot woord. De verhalen gaan alle drie over jeugdige verwachtingen en jeugdige overmoed; de personages willen de hemel bestormen en, in Nescio’s woorden, God van zijn verhevenheid storten en dan de wereld eens naar hun zin inrichten. Maar gaandeweg verliezen ze hun onschuld; iedere stap die ze doen brengt ze, zonder dat ze het willen, vaster in het gareel van de maatschappij. In alle drie de verhalen komen de hoofdpersonen daartegen in opstand:

Maar in dit nette, onschadelijke, jonge burgerheertje leefde nog iets, dat geen heertje was, maar een mensch, die niet zoo maar dood wou gaan, die zichzelf een toren wou oprichten tot de blauwe lucht, om te staan in eeuwigheid.

Het Dichtertje (over wie het hier gaat), maar ook de personages Japi-de-uitvreter en Bavink, laten zien wat er gebeurt als een mens de hem gestelde grenzen probeert te overschrijden en zich in overmoed met God gaat meten; hun leven eindigt in zelfmoord of krankzinnigheid. Andere personages passen zich aan of, erger, corrumperen zich (zoals de society-schilder Hoyer). Alle drie de verhalen eindigen in berusting. Hoort u maar: ‘De rivier is sedert naar het Westen blijven stroomen en de menschen zijn blijven voorttobben (‘De uitvreter’). – ‘En zoo gaat alles z’n gangetje en wee hem die vraagt: Waarom? (‘Titaantjes’). – ‘Zij die God werkelijk lief heeft boven allen moet de last daarvan dragen tot het einde.’ (‘Dichtertje’). Met de formulering ‘Zij die God werkelijk lief heeft boven allen’ bedoelt Nescio de dichters, zoals zijn ‘dichtertje’ er een was, en diens geliefde Dora, - en hijzelf, niet te vergeten. Zij moeten aanvaarden dat zij door hun karakterstructuur getekend zijn, en ze moeten met die levenslange last zien te leven.

Nescio heeft in deze verhalen met veel van wat hem benauwde afgerekend, op een formidabele manier. Wat viel er daarna nog te zegen? Zijn probleem was, dat hij zich tot drie maal toe duidelijk over het bestaan had uitgesproken. Moest hij nu een dikke roman schrijven? En wat zou daar dan in moeten staan?

 

Thans verplaatsen we ons naar een stille kamer op de Keizersgracht. Het is 6 november 1922, ‘s middags om vier uur. Die dag wordt beschreven in een verhaal dat Nescio onder de titel ‘Najaar’ heeft gepubliceerd in de bundel Boven het dal. Het is een verhaal dat het zonder een eigenlijke ‘plot’ moet stellen; centraal staat een personage met de naam Janus (over wie kan worden vastgesteld dat zijn levensomstandigheden sterk lijken op die van Nescio zelf). Er is van ‘Najaar’, zoals gezegd, een eerste niet voltooide versie bewaard gebleven. Die eerste versie heeft geen titel, en wijkt in een aantal opzichten sterk af van de tekst in Boven het dal. Materieel moet u zich die eerste versie voorstellen als een blauw schoolschrift, waarin met potlood geschreven is. Het lijkt erop, dat dit gebeurd is op, of vlak na, de dag waarop het eerste hoofdstuk zich afspeelt, 6 november 1922.

 

De eerste versie begint (net als de tekst in Boven het dal) met een scène waarin de hoofdpersoon Janus, die kennelijk een hoge functie op een kantoor heeft, in zijn werkkamer achter zijn bureau zit en wat voor zich heen mijmert:

Janus kijkt door zijn raam, weer laat een erg geel blad los van een tak en valt heel langzaam naar beneden in ’t stille eind van den Novemberdag. ‘6 November 1922’ denkt Janus, ‘6 November 1922, zoo viel ook een blad den 6den November 1898 toen ik een jongen was. Zoo viel een blad den 6den November 1784, toen zag Goethe ’t vallen, dit gaat zoo door. Ik kijk er naar en doe niets. Anderen schrijven romans van gewapend beton, ik doe niets. ’t Gaat me te goed, mijn zaken gaan goed, m’n dochters worden knap en elegant en geestig. Dat deugt niet. Onderdehand zien ze wat in Querido en de Oude Waereld, met ae, en waar m’n standbeeld moet komen bouwen ze ’t kantoortje van de K.L.M.’

Verrassend is dat Janus in de eerste hoofdstukken aanvankelijk geen naam had en alleen ‘de dichter’ werd genoemd; in tweede instantie is die aanduiding veranderd in de naam ‘Janus’. In de gedaante van ‘de dichter’ is Janus om zo te zeggen de voortzetting van het ‘dichtertje’ uit het gelijknamige verhaal: de ouder geworden dichter heeft thans een goede positie op kantoor, een lieve vrouw en vier knappe dochters. Zijn dichtersnatuur heeft hij behouden, maar hij doet er niets mee, hij laat de dingen op hun beloop, en hij stelt vast: ‘dat deugt niet’.

 

Lees verder...

Pagina 1/3

© Lieneke Frerichs - Gepubliceerd met toelating van de auteur.
Oorspronkelijk opgenomen in Frerichs, Lieneke, Een appel valt in de stilte : over het schrijverschap van Nescio - Enschede ; Hengelo : Stichting Literaire Manifestaties Enschede/Hengelo, cop. 1996. - 20 p. ; 21 cm. - (Drienerwolde lezing ; 4) Vierde Drienerwolde lezing, 14 okt. 1995.

 

Afdrukbaar Afdrukbare layout
Laat me een boodschap achterLaat me een boodschap achter

Laatste wijziging aan deze pagina: 17 november 2006

 
Een bericht versturen naar de webmaster (Bert Rodiers)