Nescio
Startpagina
Nieuw
Biografie
Bibliografie
Artikels
Bibliotheek
Extra
Deze website
Zoeken
Links
Overzicht
Teken het gastenboek!
artikels
 

 

On-Boek

Simon Carmiggelt

lijn

Nescio behoort, net als Elsschot, tot mijn uitverkoren auteurs. Ik heb hem maar één keer in mijn leven ontmoet. Op 24 juni 1956 nam Fred Batten, die hem goed kende, mij mee naar de schrijver van het kleine, superieure oeuvre, om hem te feliciteren met zijn vierenzeventigste verjaardag. Ik schreef er de volgende notities over.

'Ik heb altijd zoveel mogelijk stil gehouden dat ik schreef,' zegt hij tegen me, 'want ik heb mijn leven lang op een kantoor gezeten en als ze in zulke kringen merken datje zulke neigingen hebt, denken ze alleen maar datje niet deugt voor je werk.'

Hij stoot deze woorden op enigszins honende toon de achterkamer in, waar hij met het uitzicht op een klein tuintje, pijp na pijp zit te roken, tegenover zijn vrouw, die een levendig aandeel heeft in de conversatie en hem er zo nu en dan in betrekt, met een vriendelijk: 'Nietwaar, pappie, zó dacht jij daar toch over in die tijd?'

Meestal knikte hij.

Hij heeft het hoofd van een held, aan wiens vergruizeling het leven de handen vol hebben zal. Als zijn vrouw stil valt, komt hij opeens met een zinnetje vol verachting. Helemaal de man die schreef. 'Het leven heeft mij, Goddank, bijna niets geleerd. "Het leven heeft me veel geleerd", zegt de oue sok.'

'Beschikt u nog over ongepubliceerd werk?' vraag ik.

Hij knikt.

'Ja. Opzetjes. Niet klaar. Maar ik doe er niks meer aan. Ze zijn goed zo... Ze liggen daar, in mijn bureau...'

(Dit zei hij in 1956, toen de tekst van zijn veel later verschenen Boven het dal al lang persklaar gereed lag. 'Opzetjes' moet dus wel beschouwd worden als een merkwaardig understatement.)

Vroeger hing, boven het schrijfbureau een spreuk, die inhield dat de neergaande lijn des levens de langste is, maar die heeft - symbolisch genoeg moeten plaatsmaken voor een dartel, uitbundig schilderij van zijn kleindochtertje.

'Wat leest u nu graag?'

Ik had gehoord dat hij zich, in de oorlog, door de veel-delige memoires van Von Moltke heenvrat 'om nog méér de pest aan ze te krijgen'.

Nu zegt hij: 'De grappenmakers. Ik vraag ze bij pakken tegelijk op zicht bij mijn boekhandelaar. Van u heb ik ook een heleboel gelezen...' En om mij te behoeden voor de zonde der ijdelheid: 'ik lees tegenwoordig alleen maar dingen waar ik niet bij hoef na te denken.'

Maar als even later in het gesprek de titel valt van een roman van Bordewijk, blijkt hij die ook gelezen te hebben. Naar zijn mening gevraagd, antwoordt hij: 'Dat is een on-boek.'

'Nee pappie, dat moetje nou niet zeggen,' antwoordt zijn vrouw. 'Het pakt je toch wel aan...'

'Ja,' mompelt hij grimmig in die serre, 'dat doet de cholera ook.'

Tot zover mijn notities.

Ik vertelde het verhaal van mijn bezoek jaren later aan Gerard Reve. Dat het aait hem was besteed bleek bij de verschijning van zijn bundel gedichten Het zingend hart. Daarin las ik dit vers:

 

Literatuur

 

Gevraagd naar zijn opinie over het jongste prachtboek 'De Avonden', 
zeide eens de oude schrijver Nescio:
'Dat boek' Dat is geen boek: dat is een on-boek.'
'Toch pakt het je wel aan, Pappie,' wierp zijn vrouw hem tegen.
'Dat is zo,' gaf hij toe. 'Net als de cholera.'

 

Wie een illustratie van het begrip 'dichterlijke vrijheid' nodig heeft, taste toe.

© Simon Carmiggelt - Gepubliceerd met toelating van de erven.
Oorspronkelijk opgenomen Ze doen maar, De arbeiderspers, 1976.

 

Afdrukbaar Afdrukbare layout
Laat me een boodschap achterLaat me een boodschap achter

Laatste wijziging aan deze pagina: 17 november 2006

 
Een bericht versturen naar de webmaster (Bert Rodiers)