Nescio
Startpagina
Nieuw
Biografie
Bibliografie
Artikels
Bibliotheek
Extra
Deze website
Zoeken
Links
Overzicht
Teken het gastenboek!
artikels
 

 

Titaan

Simon Carmiggelt

lijn

Jongens waren we - maar aardige jongens.

Dit zinnetje staat op de sokkel van het zaterdag in liet Amsterdamse Oosterpark geplaatste plastiek, dat Hans Bayens maakte als een 'hommage aan Nescio'. Het stelt de aardige jongens voor, over wie Nescio zijn 'Titaantjes' schreef, een in 1914 voltooid boek, dat in die tijd weinig aandacht trok. Pas later zou men de grootheid van deze schrijver zien. Het plastiek staat op de juiste plaats, want hier droomden de titaantjes, jong en idealistisch als ze waren, van een betere wereld. Nescio formuleerde het zó: 'Heele zomernachten stonden we tegen 't hek van 't Oosterpark te leunen en honderd uit te boomen. Een heel kamerameublement zou je daaraan hebben kunnen verdienen, als je dat allemaal had kunnen onthouden.' Later, oud en ziek en amper instaat te lopen, schreef hij bitter: 'Dat is liet lot van wereldveroveraars. En anderen. Ik wou niet graag dat de wereldveroveraars van vandaag dit lazen. Ze zouden er maar hoogmoedig van worden. Als je 18 of 20 jaar bent denk je dat 't jou zoo niet zal vergaan.' Maar zijn hoogst vitale en spirituele weduwe, die het beeldje zaterdag, onder zeer grote belangstelling onthulde, spoorde de Titaantjes van vandaag aan, zich niet uit het veld te laten slaan.

Nescio publiceerde maar weinig. Behalve 'Titaantjes', schreef hij 'De uitvreter' (1909-1910), 'Dichtertje' (1917), 'Mene, Tekel' (1946) en 'Boven het dal' (1961) waarvan hij liet manuscript in de oorlog gereed maakte en de inleiding begon met dit voor hem zo typische understatement: 'U vindt hier eenige oude stukjes, die ik bij elkaar heb gezocht, omdat ik dacht dat ze misschien, in betere tijden, dezen en genen zullen interesseeren.' Van zijn dochter, mevrouw M.J. Boas-Grönloh, die zijn literaire nalatenschap beheert, hoorde ik, toen ik er haar naar vroeg, dat er nog veel ongepubliceerd werk bestaat. Notities, vaak gemaakt op reis. Kleine schetsen. En een aantal aanloopjes, die varianten zijn van de bestaande novellen. Deze bonte collectie wordt geordend en zal als boek verschijnen. Nu reeds komt Bert Bakker in Den Haag, over enige weken, met een, uit die nalatenschap geput, door een zeer jonge Nescio geschreven boekje, dat 'De tien geboden van de God Carričre' heet. Het begint zó: 'Alzoo spreekt God tot U en zijn naam is Carričre. Gij zult U geen valsche goden maken als eerlijkheid, trouw, geweten, schoonheid of waarheid want alzoo komt gij ten verderve en honger en ballingschap zullen Uw deel zijn. Want ik ben machtig en mijne straffen zwaar.'

Hier is nog helemaal het titaantje Nescio aan het woord. Hij zou later carričre maken en het, als J.H.F. Grönloh brengen tot directeur van de Holland-Bombay Trading Company.

Men wist op dat kantoor niet dat hij schreef. Dat hield hij stil. 'Als ze merken dat je zoiets doet, denken ze datje niet geschikt bent voor je werk,' zei hij eens tegen mij.

Ofschoon hij, als huisvader van een gezin met vier dochters, veel moest vertoeven in 'het dal der plichten', menen zij die hem goed gekend hebben, dat hij zijn kantoorwerk niet haatte. Hij was geen Vestdijk, die alleen maar schrijven wilde.

Het schrijven was, naast zijn plichten, een uitlaat voor hem en een levensbehoefte. Net als de natuur, waarin hij op de fiets rondzwierf. En het lezen van Dickens, Balzac en Zola.

In literaire kringen begeerde hij niet te verkeren en een poging van Menno ter Braak, om hem te ontmoeten, wimpelde hij af in de trant van' aan mij valt niets te beleven.' Een enkele keer correspondeerde hij met Frederik van Eeden. In huiselijke kring las hij voor uit 'De kleine Johannes', maar ook wel uit eigen werk. Zijn dochter herinnert zich dat ze, als meisje, tot tranen bewogen werd toen hij, uit 'Titaantjes', voorlas hoe schilder Bavink, bij het zien van de zonsopgang aan zee, met zijn vuist tegen het voorhoofd sloeg en vloekte: 'God, God, dat schilder ik nooit. Dat kan ik nooit.'

Dat er buitenshuis niet over zijn literaire activiteit gerept werd was een heilige afspraak in het gezin. Toen zijn dochter, als leerlinge van de middelbare meisjesschool, eens 'Titaantjes' liet lezen aan haar lerares Nederlands en als oordeel te horen kreeg dat ze `t nogal grof' vond, verzweeg ze dat de auteur haar vader was. Ze wist dat de mening van de juffrouw hem niet zou hebben geraakt, want soms zei hij met grote zekerheid en een vooruitziende blik: 'Mijn tijd komt nog wel.'

© Simon Carmiggelt - Gepubliceerd met toelating van de erven.
Oorspronkelijk opgenomen Het Parool [Het Parool, 14 oktober 1971].

 

Afdrukbaar Afdrukbare layout
Laat me een boodschap achterLaat me een boodschap achter

Laatste wijziging aan deze pagina: 17 november 2006

 
Een bericht versturen naar de webmaster (Bert Rodiers)