Nescio
Startpagina
Nieuw
Biografie
Bibliografie
Artikels
Bibliotheek
Extra
Deze website
Zoeken
Links
Overzicht
Teken het gastenboek!
artikels
 

 

Legende

Simon Carmiggelt

lijn

Neem eens een ogenblik aan dat u een neef hebt, die Karel heet en in Eindhoven een nederige betrekking vervult bij een daar gevestigde gloeilampenfabriek. Karel komt een keer bij u in Amsterdam logeren. Als hij in zijn bed ligt, bemerkt u tot uw verbijstering, dat hij zijn schoenen naast de deur van de logeerkamer op de gang heeft gezet, zoals in een hotel. U vertelt het aan uw vrouw en later aan een paar vrienden, maar daarmee is de zaak uit de wereld, want Karel is te onbeduidend om er nog langer over te praten.

Maar neem vervolgens eens een ogenblik aan, dat Karel niet Karel maar Strindberg was en u niet u maar lbsen, wat zou er dan zijn gebeurd? Die op de gang geplaatste schoenen zouden het leven hebben geschonken aan een literaire anekdote, die telkens weer en tot heden op deze dag, het kopje zou opsteken in proefschriften over Strindberg en scripties over lbsen.

Wat is nu het merkwaardige van literaire anekdotes? Dat ze bijna altijd geheel of gedeeltelijk onwaar zijn en volkomen onuitroeibaar. Aangezien ze in negen van de tien gevallen gaan over mensen, die allang in hun graf liggen, doet het er weinig toe, al huivert men bij de gedachte dat een man als Shaw zou terugkeren, om eens, op zijn wijze, af te rekenen met alles wat hem ten onrechte wordt toegeschreven. De schrijver Nescio is nog niet zo lang dood, maar dat ook zijn leven reeds door legendevorming wordt bedreigd, kunt u leren uit het laatste nummer van het Hollands Maandblad. De heer G. Jaspars publiceert daarin een brief over een bezoek dat hij heeft gebracht aan de weduwe van de auteur. Gevraagd naar haar mening over 'Dichtertje', antwoordt zij:

'Meneer, dat heb ik nooit willen uitlezen. Die Dora, dat is mijn zusje. Ik zeg tegen pappie: "Nou, dat vind ik nou niet leuk van je pappie, je hebt ons hele huis er ook in beschreven! Nee, ik vind het niets leuk." Ik heb 't nooit willen lezen. En pappie, die zat maar een beetje te lachen.'

De heer Jaspars plaatst deze uitspraak tussen aanhalingstekens, om aan te geven dat de weduwe van de schrijver bier aan het woord is. Niet tussen aanhalingstekens, dus blijkbaar voortgesproten uit eigen wetenschap van de heer Jaspars, is de volgende alinea:

'Simon Carmiggelt is ťťn keer bij Nescio op bezoek geweest, zoals gebruikelijk "sterk onder", in gezelschap en geÔntroduceerd door MorriŽn. Ze hadden zelf een klein flesje Bols meegebracht, omdat MorriŽn wist, dat bij Nescio wat dat betreft niets te halen viel. Nescio dronk een keer per jaar een glas bier en dan moest liet nog snikheet zijn.'

Tot zover de heer Jaspars.

We hebben hier onmiskenbaar te doen met een literaire anekdote die verband houdt met het leven van Nescio. Voordat de dichter Adriaan MorriŽn de eeuwigheid der proefschriften en scripties 111 gaat als een beklagenswaardige drankzuchtige, wil ik de Nederlandse letterkunde althans ťťn dienst bewijzen, door het aandragen van de volgende feiten. Na het lezen van het Hollands Maandblad heb ik MorriŽn opgebeld en hem de alinea voorgelezen. Hij antwoordde:

'Nee, ik ben nooit met jou bij Nescio geweest. En genever vind ik vies. Ik drink eigenlijk helemaal niet.'

Deze mededeling verbaasde mij niet. Ik ben namelijk wel ťťn keer bij Nescio geweest, doch niet met MorriŽn maar met Fred Batten. Wc gingen naar hem toe, in verband met zijn vierenzeventigste verjaardag. Batten had een bos bloemen voor Nescio's vrouw bij zich en een zeer luttel flesje met een huid van gevlochten stro voor de jarige. Op zijn aandringen had ik voor Nescio een boek van mijzelf, dat juist verschenen was, meegebracht. Mijn begrijpelijke schroom om iets van mezelf te geven had ik overwonnen, omdat Nescio had laten weten, dat hij in verband met zijn gezondheidstoestand 'alleen nog maar de krant en de grappenmakers las'. Toen ik hem mijn werk overhandigde zei hij: Ja, van u heb ik ook een heleboel gelezen. Ik lees tegenwoordig alleen nog maar dingen waar ik niet bij na hoef te denken.' Battens flesje bleek een tactloos geschenk, omdat Nescio niets gebruikte. Hij schonk er ons toen een 'glaasje uit maar een orgie werd het niet want het flesje was bitter klein en de inhoud voor iemand met mijn (zie ook 'Kroeglopen') ruimschoots bekende consumptievermogen bepaald te verwaarlozen. In elk geval was ons gesprek zo coherent dat ik er de volgende dag, in deze hoek, een onlangs in de 'Cahiers voor letterkunde' herdrukt interview over heb geschreven, dat ik de proefschrifters van morgen kan aanbevelen, aangezien er niks in staat dat ik uit mijn duim gezogen heb. Het interessante van het gesprek was dat hij, op mijn vraag of hij nog ongepubliceerd werk had liggen, achteloos antwoordde: Ja, opzetjes. Niet klaar. Maar ik doe er niks meer aan.' Later bleek dat het complete manuscript van 'Boven het dal' reeds sinds 1942 bij een zijner dochters gereed lag. Maar in 1956 was hij blijkbaar niet meer van plan het te publiceren.

© Simon Carmiggelt - Gepubliceerd met toelating van de erven.
Oorspronkelijk opgenomen Het Parool [Het Parool, 24 januari 1964].

 

Afdrukbaar Afdrukbare layout
Laat me een boodschap achterLaat me een boodschap achter

Laatste wijziging aan deze pagina: 17 november 2006

 
Een bericht versturen naar de webmaster (Bert Rodiers)