Nescio
Startpagina
Nieuw
Biografie
Bibliografie
Artikels
Bibliotheek
Extra
Deze website
Zoeken
Links
Overzicht
Teken het gastenboek!
artikels
 

 

Nescio (II)

Simon Carmiggelt

lijn

Het nieuwe boek van Nescio dat, zoals ik U gisteren reeds meldde, binnenkort zal uitkomen, bevat niet alleen verhalen en fragmenten uit de oude tijd, doch ook recenter werk. 'Insula Dei' is bijvoorbeeld uit 1942 en behandelt, tegen het troosteloze decor van de oorlog, een ontmoeting met Flip, een vriend van vroeger, die indertijd een roman heeft gepubliceerd, maar nooit iets is geworden in de letteren.

Dit motief het schrijven van het grote boek en de kwellende vraag of dat nu eigenlijk wel zin heeft - houdt Nescio telkens bezig.

'En ze werden schrijvers', zegt hij ergens, 'en enkele exemplaren van hun boeken werden zelfs gekocht door menschen in Roermond en Heerlen, waar de Nederlandsche litteratuur eigenlijk verboden is.' Zijn vriend Eeuwe karakteriseert hij zo: 'Querido verachtte-n-i, omdat die zulke dikke boeken had geschreven, wat geen afdoende reden is, en omdatti 't altijd had over een "menschenschepper" en dan bedoelde Querido datje aan Querido moest denken. Eeuwe dacht alleen aan Eeuwe en Querido'.

Maar ondanks alle spot blijft het schrijven van het dikke boek iets, dat blijkbaar gebeuren moet. In 'Najaar', een verhaal uit 1922, dat hij pas in 1940 voltooid heeft, zegt hij over zijn hoofdpersoon: 'Hij was de man, die iets miste en hij wist niet wat, de man die iets verlangde en hij wist niet wat, de man die iets zeggen wilde en hij wist niet wat.'

In het verhaal 'Feeën', van 1947, dat eventuéél in het boek komt, beschrijft hij het bezoek aan Kortenhoef. In de bus naar Hilversum zitten 'twee starende en fluitende jongetjes, naast elkaar op één bank, met misdadigersooren'. Onder het verhaal zet hij, bij wijze van P. S.: M'n dochter zegt: "Zoo praatti nou altijd." '  Zeer fraai is 'Heimwee', waarvan nog niet geheel zeker is of het in de bundel opgenomen wordt, herinneringen aan Gerard Heldring, Termaat, Kees Ploeger en een beschrijving van de dag, waarop Jan Verschure stierf:

'De stad vierde feest. Die dag had de krant geschreven over de banden die vorstenhuis en natie verbonden en zelfs 't liberale Handelsblad had God er bij gehaald.'

Een zinnetje uit hetzelfde verhaal:

'Hij leunde tegen een telefoonpaal. Een eindeloos, saai verhaal scheen op reis in de draden, misschien naar Naarden.'

Een hoogst merkwaardig stuk is een gefingeerd dagboek van een lid van een schoolbestuur (1953). Bavink treedt nog regelmatig in de verhalen en de fragmenten op, één keer in stralende leeststemming, omdat een criticus hem heeft verweten, dat hij 'in herhalingen vervalt'.

'Net als God', jubelt Bavink.

Misschien mag ik besluiten met de korte, in 1922 geschreven bespiegeling, waarmee Nescio zijn boek 'Boven het dal' begint. Naar mijn smaak is het een fraai voorbeeld van zijn ongebroken literaire meesterschap.

'Ik zit op den berg en kijk in het dal der plichten. Dat is dor, er is geen water, het dal is zonder bloemen en boomen. Er loopen veel menschen door elkaar. De meesten zijn wanstaltig en verwelkt en kijken voortdurend naar den grond. Enkelen kijken nu en dan op en dan schreeuwen zij. Na eenigen tijd sterven zij allen, toch zie ik niet dat hun aantal mindert, het dal ziet er steeds eender uit. Verdienen zij beter?

Ik rek mij uit en kijk op langs mijn armen naar de blauwe lucht.

Ik sta in het dal op een pleintje van zwarte sintels, bij een kleine stapel afbraakplanken en een onbruikbare waschketel. En ik kijk en zie mezelf zitten, daar boven, en ik jank als een hond in de nacht.'

Aldus Nescio.

© Simon Carmiggelt - Gepubliceerd met toelating van de erven.
Oorspronkelijk opgenomen Het Parool [Het Parool, 15 december 1960].

 

Afdrukbaar Afdrukbare layout
Laat me een boodschap achterLaat me een boodschap achter

Laatste wijziging aan deze pagina: 17 november 2006

 
Een bericht versturen naar de webmaster (Bert Rodiers)