Nescio
Startpagina
Nieuw
Biografie
Bibliografie
Artikels
Bibliotheek
Extra
Deze website
Zoeken
Links
Overzicht
Teken het gastenboek!
artikels
 

 

Nescio

Simon Carmiggelt

lijn

De Haarlemse uitgever J.H. de Bois publiceerde in 1918 de drie klassiek geworden novellen van Nescio (J.H.F. Grönloh) Dichtertje, De uitvreter en Titaantjes, voor het eerst in boekvorm. Via zijn uitgever ontving Grönloh in 1919 een geestdriftige brief over zijn novellen van mevrouw Agnes Maas-van der Moer, die in 1918 een boekje, geheten 'De zwervers' had gepubliceerd. Ze vroeg in haar brief:

'Moet uw pseudoniem werkelijk héél streng gehouden worden?'

Nescio, bepaald niet verwend met wat men tegenwoordig 'fanmail' noemt, antwoordde haar omgaand:

'Mijn pseudoniem dient voornamelijk om mijn broodheeren buiten mijn particuliere leven te houden en te zorgen, dat ik niet in een of andere "litteraire" kliek word getrokken. U wilt dus wel zuinig wezen met mij n naam. 'k Ben, schrikt U niet, procuratiehouder, ja waarachtig, in een exportzaak op Britsch Indië en Afrika. Laat dat tusschen ons blijven. U weet nu 't ergste.'

Zo begon een levendige correspondentie tussen de toen 37-jarige Grönloh en Agnes Maas, die zes jaar jonger was. Een groot deel van deze, voor Nescio-minnaars stellig belangwekkende briefwisseling komt in het oktobernummer van 'Tirade'. Daar ik die proeven las, kan ik u er alvast een indruk van geven. Wie zich niet interesseert voor de schrijver in kwestie, is nu al opgehouden met lezen van dit stukje.

De door Nescio gebruikte, beroemd geworden zin 'De God van Nederland' deed mevrouw Maas vragen of daarvoor misschien professor Bolland model had gestaan. De auteur antwoordde:

'Bij den God van Nederland heb ik aan niemand in 't bijzonder gedacht. Prof. Bolland ken ik heel goed doordat ik hem verscheidene winters gehoord heb. 'k Heb van hem enkele dingen geleerd en denk over zijn zwakheden heel goedmoedig. Hij is inderdaad, als ik nog eens een confidentie mag doen, een van de weinige menschen die ik bewonderen kan, ofschoon ik mogelijk niet altijd de lust zal kunnen bedwingen een caricatuur van hem te maken, wat geen grote kunst zou zijn. Die naar hem komen luisteren acht ik zoo door mekaar een zoodje. […] De God van Nederland is zou ik zoo zeggen wanneer ik dan toch achteraf over mijn "figuren" moet theoretiseren de personificatie van den geest der samenleving voor zoover mij die benauwt en bedreigt. Ik ijs zelf van dezen zin, ik ben vast niet erg helder vandaag. [ ... ] Of ik nog wel eens wat schrijf? Er liggen stapels rommel, meest zonder eind of begin. Vorige maand ben ik aan een roman begonnen, hajewiet! "Ze" hadden gezegd dat moest ik doen, zonder roman word je niet bekend en de uitgever dacht datti d'r vast wel in zou gaan. Nou, ik aan 't romanschrijven, in een paar dagen had ik wel vijftig zijdjes en de rest stond, in hoofdstukken verdeeld, in mijn kop. Maar ik heb er mee opgehouden, 'k geloof niet dat 't wat voor mij is, ik heb nog maar weinig romans ontmoet die niet veel beter veel korter gekund hadden. Voortaan schrijf ik weer alleen wanneer ik zelf wil en wat ik zelf wil, ik kan me dat gelukkig nog veroorloven. Dan maar niet bekend.'

Nu de bekendheid hem toch getroffen heeft denkt leder die hem lief heeft met mij:

'Waar zijn die vijftig zijdjes gebleven?'

Maar als hij ze zelf verscheurd heeft gaan ze ons niks aan.

Over de weerklank op zijn novellen meldde hij, gauw tevreden blijkbaar: 'Er is al vrij veel over mij geschreven, wist U dat? Er is mij nog niemand te lijf gegaan, zoodat ik wel eens gedacht heb dat mijn werk toch wel niet zoo heel erg bijzonder zou wezen. 'k Wacht nu op Querido (dien vind ik nu een kwal, als hij mij prijst zal ik tegen mezelf zeggen dat ik toch nooit ontkend heb dat hij ook kwaliteiten had!)"

Ten slotte dit brieffragment, hélemaal Nescio:

'Na een heerlijk voorjaar is de zomer voor mij tot dusver tenonder gegaan in somber weer en een razende handelsdrukte. Eenmaal van kantoor heb ik absoluut geen concentratievermogen meer. Die tijden heb ik vaak gehad en dan telkens zoo even 't gevoel: nu moest ik eens in enkele korte hoofdstukjes alles kunnen uitzeggen en 't schrijnende gevoel tegen m'n schedel: ik kan niet. Ik ben eigenlijk geen schrijver, 't is me niet te doen om Iets te maken (behalve dan als ik een roman wil schrijven), 't is bij mij een levensverschijnsel, zooals treklust en verliefdheid op onbestaanbare vrouwelijkhedens. Zonder dat 'k 't weet groeit eens in de honderd jaar zou ik haast zeggen de bloem uit mijn misčre. Hebt U wel eens gedacht hoeveel miserabeligheid noodig geweest moet zijn om zulke stukjes te schrijven? Soms als ik m'n werk nalas was 't me alsof een ander 't gemaakt had en dan had ik erg met 'm te doen.`

Tot zover een voorproefje van de correspondentie, die u in het oktober-nummer van 'Tirade' kunt lezen.

© Simon Carmiggelt - Gepubliceerd met toelating van de erven.
Oorspronkelijk opgenomen Het Parool [Het Parool, 27 september 1979].

 

Afdrukbaar Afdrukbare layout
Laat me een boodschap achterLaat me een boodschap achter

Laatste wijziging aan deze pagina: 17 november 2006

 
Een bericht versturen naar de webmaster (Bert Rodiers)