Hoe vertaal je ‘de uitvreter’ in het Frans? ‘L’écornifleur’ ligt voor de hand, maar zo heet een roman van Jules Renard uit 1892 al. ‘Le convive’ kon ook; uiteinde­lijk kozen de vertaalster en de uitgever ‘le pique-assiette’, iemand die bij wijze van spreken van je bord pikt. Japi doet dat bijna letterlijk, boterhammen of stuk­ken worst zijn voor hem niet veilig. “Het is een goede term, ja”, zegt vertaal­ster Danielle Losman bedacht­zaam. Jarenlang heeft het werk van Nescio (pseu­do­­niem van J.H.F. Grönloh) in haar hoofd rondgespookt.
         De in Gent geboren Franstalige Danielle Losman, ooit als natuurkundige gepro­moveerd op moleculaire structuurcristallografie, volgde in Brussel in de jaren tachtig een vertaaloplei­ding en kreeg als oefening een stuk uit Titaantjes. “Ik werd gegre­pen”, zegt ze. “Zo eenvoudig en toch vol emotie. Geen woord is tragisch, en toch is alles tragisch. Nescio is ook zeer sarcastisch, al voel je dat niet direct. En dan het kíjken, wie kan zó kijken? Troost vind je in de natuur, niet in de mensen: dat is de les van Nescio. Toch is er hoop. Want al zijn ze nog zo wanhopig, er zijn aardige jongens, zulke jongens bestaan.”
Van verder vertalen zag Danielle Losman af toen ze hoorde dat de erven-Nescio terughoudend waren in het verlenen van toestemming. Ze had ander vertaal­werk, veel poëzie, en zette zich pas in 2000 opnieuw aan De uitvreter. Op goed geluk stuurde ze een deel van haar vertaling aan uitgeverij Nijgh & Van Ditmar die het doorstuurde aan de erven, en aan Lieneke Frerichs en Enno Endt, specialisten en schatbewaarders van Nescio. De Franse tekst viel bij hen in goede aarde; Losman kon nu een Franse uitgever gaan zoeken – een nieuwe hindernis. “Uitgevers hebben liever geen dode schrijvers, en zeker niet met zo’n klein oeuvre.”
         Omstreeks die tijd werd het fenomeen-Nescio ontdekt door Jean Mattern, uitgever van Du Monde entier, het buitenlandfonds van Gallimard. In Hart van glas van H.M. van den Brink las hij over een boek van Nescio dat op een bureau ligt. Mattern: “Ik lees Nederlands, maar Nescio kende ik niet. Toen ik ernaar vroeg, stuurde Van den Brink me prompt de vier verhalen. Gewéldig vond ik ze. Het gevoel is van alle tijden. Het deed me ook sterk denken aan de leegte, de hopeloze absurditeit van het bestaan, zoals pas in de jaren vijftig door de Franse existentialisten beschreven.” Van Rudi Wester, toen directeur van het Neder­lands Literair Produktie- en Vertalingen Fonds, hoorde Mattern dat toevallig al een goede vertaling van De uitvreter bestond. Hetzelfde fonds stelde zich garant voor de vertaalkosten en nu kon Danielle Losman verder.
Ogenschijnlijk eenvoudige passages waren vaak het moeilijkst. Neem de beroemde openingszin van Titaantjes met de aardige jongens. ‘Garçons’ heeft een homoseksuele bijklank, ‘jeunes gens’ zou te formeel zijn. Equivalenten van zoiets als ‘gozers’ vielen af toen Lieneke Frerichs opmerkte dat het juist om de allergewoonste term voor jongens gaat. Zo werd het toch ‘garçons’, alleen zon­der de bekende herhaling. Ook elementen uit de werkelijkheid waren lastig. “Als Nescio een muur in Nijmegen noemt, moet ik weten: is het een hoge muur, een lage? En dan al die torens. Zijn het kerktorens? Het maakt de doorsneelezer niet uit, maar het moet wel kloppen.”
         Lastiger nog was het herhaald gebruik van woordjes als ‘weer’, ‘nog’, ‘pas’, ‘eens’, ‘nu’. Danielle Losman liet de herhalingen zoveel mogelijk intact, al vergden ze in het Frans vaak meer woorden. Net als termen voor bewegingen. “In het Nederlands kun je zo mooi zeggen ‘hij ging verzitten’ of ‘ hij liet zich zakken’. Het Frans vergt meer beschrijving, terwijl ik ook het compacte van het origineel wilde behouden.”
         De taal van vroeger hoort onlosmakelijk bij Nescio. Wat doe je daarmee in een vertaling in 2005? Losman vertaalde de verhalende passages in modern Frans; dialogen in spreektaal. “In gesproken taal heb ik bijvoorbeeld het ‘ne’ weggelaten, zoals in ‘c’est pas la peine’. En ik heb uitdrukkingen genomen uit de vroegere kunstenaarsscene van Brussel. Het vriendschappelijke ‘ouwe kerel’ was daar ‘vieux frère’. Gallimard zag liever ‘camarade’, maar in de laatste scène van Japi is het ‘vieux frère’. De samenwerking met Anne-Lucie Voorhoeve van Gallimard was een bijzondere en boeiende ervaring. Zó zorgvuldig was het.”
         Hoe zal het Franse publiek reageren? J.J. Oversteegen citeert in zijn memoires een brief waarin Grönloh verzucht: “(...) voor de Franschen ben ik, vrees ik, te Nordique.” Danielle Losman grapt dat er een sticker op het boek moet met ‘aandachtig lezen, s.v.p’. Lieneke Frerichs, die de moeilijkheden van Nescio-vertalingen kent, heeft goede hoop. “In Engeland is het nog niet gelukt, in Duitsland bleek de gewone spreektaal niet aan te slaan, maar met deze mooie Franse vertaling kan het lukken, denk ik, ook omdat het zo’n gerenommeerde uitgever is. En dan komt de rest van de wereld vanzelf.” Uitgever Jean Mattern gelooft dat er publiek voor is. “Ik weet niet of het een commercieel succes wordt, maar de boekhandel kent ons fonds. We houden Le pique-assiette tientallen jaren leverbaar. Daar gaat het om, dat het er is.”